Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slag het water omlaag drukken, of met gestrekte armen in horizontale houding even onder de oppervlakte heen en weer bewegen. Kunnen de leerlingen op deze wijze zich eenigen tijd boven water houden, dan wordt dezelfde oefening herhaald met de handen op de heupen (zie fig. 45 uitsl. PI. II), op den rug, of met de handen, later met de armen een weinig en vervolgens de armen zoo hoog mogelijk, boven het water uitgestoken. Ook kan men den beenslag om beurten links en rechts uitvoeren (zie fig. 46 uitsl. PI. II).

Het waterspringen kan men doen van af den kant, den springtoren en over een leuning. Over deze laatste kan men doen een borst-, rug-, flank-, hurk- en spreidsprong (zie fig. 47 uitsl. PI. II), daarbij zorgende, dat na den sprong het Uchaam vlug en krachtig gestrekt wordt, zoodat de voeten het eerst in het water komen. Van alle drie kan men den schrede- en hurksprong doen (zie fig. 48 en 49 uitsl. PI. II). Met de gemakkelijkste sprongen aanvangende, gaat men langzamerhand tot de moeilijkste over, en bij voorkeur beproeve men geen tweeden sprong, voor men den eersten volkomen meester is. Zoodoende zullen de leerlingen zich regelmatiger en sneller bekwamen.

2. Het zwemmen onder water wordt op de volgende wijze uitgevoerd. Men strekt de armen vooruit en brengt ze vlug diep onder water, drukt met de handpalmen het water in een achter- en bovenwaartsche richting, buigt het hoofd sterk voorover en kromt daarbij den rug. Zoodra de romp onder water is, worden de diepgebogen beenen omhoog gestrekt, waardoor men dieper zinkt. Onder water zijnde, wordt de gewone borstslag uitgevoerd, met dit verschil, dat de handpalmen naar den waterspiegel zijn gekeerd, waardoor het Uchaam steeds in een benedenwaartsche richting wordt gehouden, terwijl met de beenen een niet te vlugge maar krachtige slag wordt uitgevoerd.

Sluiten