Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roeiers met zijn voetbord, waaraan de stuurtouwen verbonden zijn.

Het spreekt vanzelf, dat men daarvoor liefst een roeier aanwijst op No. 4 of No. 3, die veel gesculld heeft en dus gewend is zonder veel omkijken baan te houden.

Overigens begrijpt men, hoe gelijkop stuur- en bakboord moeten trekken, en hoe goed men aan elkaar gewend moet zijn.

Prachtige stuurmanlooze vieren ziet men te Henley roeien. Ik zag daar indertijd een vier, die de Stewards Cup won in een stijl, dien men slechts kan betitelen met het Engelsche „grand". Dit was kunst! De boot ging geen oogenblik uit de baan, de roeiers zag men arbeiden zonder zichtbare inspanning, de snelheid was verrassend groot.

Zeer valt het te betreuren, dat in Holland zoo weinig animo bestaat voor dit nummer, hoofdzakelijk daaraan toe te schrijven, dat goede vierriemsploegen te kort bijeen blijven om dit zeer moeilijke roeien goed te kunnen beheerschen.

Zoolang dit nummer op onze wedstrijden onbezet blijft, is het roeien nog niet op dat peil gekomen, waarop het behoort te staan.

Voor een twee kiest men twee stijlvolle roeiers uit, zoowat even zwaar. Goede Senior-tweeën hebben wij in Holland eveneens weinig.

Wat gezegd is van een stuurmanlooze vier, geldt in nog meerdere mate van een twee zonder stuurman. Het is het moeilijkste wat bereikbaar is.

Vanzelf komt men nu tot de achtriems.

De zwaardere roeiers zet men weer in het midden op 6, 5, 4 en 3. De boegen 1 en 2, benevens de slagen 7 en 8 dienen vooral soepele en keurige roeiers te zijn.

De kwaliteiten, die iedere roeier in een acht moet bezitten, vond ik zeer mooi omschreven in het werk „Rowing" van R. C. Lehmann.

Sluiten