Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

parallelgraad van het net 1 dM. X cos 6°. Op de parallel van 4 behoorde die afmeting echter 1 dM.X™s4°, dus grooter te zijn, en op de parallel van 8° behoorde zij 1 dM-X cos 8°, dus kleiner te zijn.

Het gevolg is, dat de voorgestelde deelen der aarde in het poolwaartsche gedeelte der kaart wat uitgerekt, in het andere gedeelte wat samengedrongen worden en het geheel dus min of meer misvormd wordt. . ., Een middelbr. kaart mag dus bij een willekeurige uitgebreidheid in lengte slechts weinig graden breedte bevatten, daar anders de misvorming te groot wordt. Om dezelfde reden kan deze kaart meestal slechts voor lage breedte gebruikt worden, want terwijl bgv. het verschil tusschen cos6° en cos8° betrekkelijk gering is, is het verschil tusschen cos 66° eh cos 68° belangrijk grooter. Alleen, als de breedteuitgestrektheid zeer gering is, kan de middelbr. kaart ook op hoogere breedte gebruikt worden.

Wassende kaarten. Gerard Mercator, een vlaamsch aardrijkskundige, vond in de zestiende eeuw de wassende kaarten ot vergrootende breedte kaarten uit. Naar den uitvinder worden zij ook kaarten naar Mercator's projectie genoemd.

Ten einde een denkbeeld te verkrijgen van de inrichting van een wassende kaart stelle men zich een globe voor die zooals reeds werd opgemerkt, een juiste voorstelling geeft van de aarde als zuiveren bol beschouwd.

Op die globe denke men zich eenige meridianen die den equator snijden in punten die 1' in lengte verschillen en eenige parallellen op 1', 2', 3' enz. breedte getrokken. '\ -

In de wassende kaart worden nu' op de rechte horizontale lijn, die den equator voorstelt, eenige stukken van V genomen gelijk aan de equator minuten van de globe, en door de deelpunten rechte lijnen getrokken, loodrecht op den equator. Deze onderling evenwijdige loodlijnen stellen dan de meridianen voor. Uit deze behandeling volgt dat de parallelminuten van de kaart op alle breedten

Sluiten