Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV. KAARTPASSEN.

De vraagstukken der koers- en verheidsrekening kunnen ook door kaartpasse'n opgelost worden. De nauwkeurigheid die hierbij verkregen kan worden is, vooral bij kaarten van klein bestek, in den regel minder groot • dan die welke berekening geeft. De snellere bewerking en de aanschouwelijke voorstelling zijn daarentegen belangrijke voordeden aan het kaartpassen verbonden.

Als hulpmiddelen gebruikt men passers, rechthoekige driehoeken of een parallel-liniaal (pleischaal).

In hoofdzaak komen de volgende vraagstukken voor:

1°. het in kaart brengen van een punt, waarvan breedte en lengte gegeven zijn.

2°. van een gegeven punt in de kaart breedte en lengte af te passen.

3°. het afpassen van den koers en de verheid tusschen twee punten in de kaart.

4°. van een punt in de kaart een gegeven koers en verheid af te zetten.

5°. het bepalen van de standplaats van het schip door het in de kaart brengen van peilingen van bekende landpunten.

6°. het in de kaart zetten van hoogtelijnen.

Wanneer breedte en lengte van een plaats gegeven zijn, kan men die plaats in de kaart brengen, door den meridiaan van de plaats te trekken en het punt aan te teekenen, waar die meridiaan door de parallel gesneden wordt. De meest gebruikelijke wijze aan boord is echter, dat men de lengte, gerekend van den naasten meridiaan, tusschen de beenen van een passer neemt en de breedte, van de naaste parallel gerekend, tusschen -die van een anderen. Men schuift nu de passers naar elkaar toe en het punt waar zij elkaar ontmoeten is de gevraagde plaats op de kaart.

Om de breedte van een punt af te zetten, neemt men den afstand van het punt tot de naaste parallel tusschen de passerbeenen en leest de breedte af op den staanden rand van de kaart. Voor de lengte neemt men den afstand van het punt tot den naasten meridiaan en leest af op den liggenden rand van de kaart.

Om den koers tusschen twee plaatsen te bepalen, maakt men gebruik van de dichtstbij zijnde der kompasrozen, die op de kaart geteekend zijn en van een paar driehoeken of een parallel-liniaal.

Voor het afpassen van een verheid op de wassende kaart wordt het volgende in herinnering gebracht:

Door de parallelminuten van de kaart alle even groot te maken als 1' van den equator, worden zij alle vergroot in vergelijking met de parallelminuten der globe. Door de meridiaanminuten in dezelfde mate te vergrooten bekomt men het net eener wassende kaart. De verheid tusschen twee willekeurige plaatsen in de kaart is derhalve vergroot in vergelijking met de verheid tusschen dezelfde plaatsen op de globe. Ten einde dus met juistheid te meten, moet de eenheid van maat, d. i. de grootcirkelminuut in dezelfde mate

Sluiten