Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Panamab.= 8°56'54"N. V?= 589',10 J,= 79°31'12"W.= 79°81'12"W

Sidney b.=33°52' Z. \3=2161',84 L.= 151°12'42" O. = 208°47'18"W.'

A b. =42°48'54" V? + \5'=2700',94 A L - 129°16' 6" "

=2568',9 ' = 7756;i "

V?+\5' 2700,94 Z. 7756,1 =3,88964 12700,94 = 3,43152

—af

LtaK. = 0,45812 v. = Ab.sWK.

K. = 70°47'58" l. sec. = 10,48297

Ab. = 2568',9 /. Ab.= 3,40974

Langs den Loxodroom : l. v. = 3 89271

Afstand = 7811,1 mijlen. ' v! = 7811'l

v. = 7811',l

Ten einde na te gaan, wat de loop is van den grootcirkel, wordt gewoonlijk de ligging van den vertex berekend.

De vertex is het voetpunt van den meridiaanboog, loodrecht getrokken op den afstandsboog tusschen de plaatsen van afvaart en aankomst. Het is duidelijk, dat de vertex het punt is, waar men de hoogste breedte bereikt. In 't geval, dat de hoek van afvaart of de hoek van aankomst stomp is, valt de loodrechte meridiaan natuurlijk burten den afstandsboog en komt men derhalve niet op den vertex

Voor de berekeningen van de koersen van afvaart en aankomst' de breedte en de lengte van den vertex en den afstand, heeft men het volgende:

In Fig. 25 is de meridiaanboog PB het complement van de breedte van B, PA het complement der breedte van A.

ais is de boog van den grootcirkel gaande door A en B.

Hierbij valt op te merken, dat, als de plaatsen A en B op • ongelijknamige breedten liggen, één van de beide meridiaanbogen van den boldriehoek APB, gelijk is aan 90° 4- de breedte.

Het grootcirkel varen geeft echter in het algemeen het meeste voordeel, wanneer de plaatsen gelijknamige breedten hebben, terwijl men op hoogere breedte meer voordeel heeft dan op lagere breedte.

Bij het eebruik van d« vnl.

smpi™;^ •• ^ gende formules (Neperiaansche

analogien) noemen wij den grootsten meridiaanboog van den boldriehoek a, den kleinsten meridiaanboog b. Het hoekpunt tegenover « noemen wij A het hoekpunt tégenover b noemen wij I ln Fig. 25 is dus BP = a en AP=b.

Sluiten