Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ware kim is de doorsnede van de sfeer met het kegelvlak, dat de aarde raakt en tot top het oog van den waarnemer heeft.

De schijnbare kim is de grens van het, voor een waarnemer op aarde, zichtbare gedeelte der aardoppervlakte. Op zee is die grens de schijnbare aanraking van sfeer en water.

Als een hemellichaam met een . van zijn randen de schijnbare kim aanraakt, noemt men dit het oogenblik van schijnbare opkomst of schijnbaren ondergang.

Het schijnbare amplitudo van èen hemellichaam is de boog van de schijnbare kim, gerekend van den eersten verticaal tot het punt van schijnbare opkomst of tot het punt van schijnbaren ondergang.

Be ligging van een punt aan de sfeer kan ook bepaald worden ten opzichte van de ecliptica.

Denkt men zich door het middelpunt van de sfeer een lijn loodrecht op het vlak van de ecliptica, dan snijdt die lijn de sfeer in twee punten, de polen van de ecliptica genaamd.

De polen van de ecliptica zijn de punten aan de sfeer op 90° afstand van de ecliptica.

Breedtecirkels zijn grootcirkels, gaande door de beide polen der ecliptica.

De ligging van een punt aan de sfeer wordt ten opzichte van de ecliptica volkomen bepaald door de lengte en de breedte van dat punt.

De breedte van een hemellichaam is de afstand van de ecliptica tot het middelpunt van het hemellichaam, gemeten langs den breedtecirkel, gaande door het middelpunt van het hemellichaam.

De breedte wordt gerekend van 0° tot 90° van de ecliptica af} dus een hemellichaam dat zich met het middelpunt in de ecliptica bevindt heeft 0° breedte. De breedte van een hemellichaam is Noordelijk of Zuidelijk naar gelang het hemellichaam tusschen de ecliptica en haar Noordpool, of tusschen de ecliptica en haar Zuidpool gelegen is.

De lengte van een hemellichaam is de boog van de ecliptica van het punt T tot aan het voetpunt van de breedtecirkel, gaande door het middelpunt van het hemellichaam, gerekend tegen de richting der schijnbare dagelijksche beweging van de hemelsfeer.

De lengte wordt gerekend van 0° tot 360°.

III. DE SCHIJNBARE DAGELIJKSCHE BEWEGING DER HEMELLICHAMEN.

De zon komt 's ochtends in het oostelijk gedeelte van de kim op, rijst, gewoonlijk in schuine richting, om na in den meridiaan haar hoogsten stand bereikt te hebben, weer te dalen en in het westelijk gedeelte der kim onder te gaan.

Als men 's nachts gedurende eenigen tijd den hemel beschouwt, merkt men bij alle hemellichamen die zelfde beweging op. Het schijnt, alsof de sfeer, boven den horizon, van het Oosten naar het Westen rond draait. Waren er juist aan de hemelpolen sterren zichtbaar dan zouden die niet van plaats veranderen. Dicht bij de polen

Sluiten