Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ZM" 4

dan is in A AM"Z, sin ZAM" = —t-fï = ttt en in AA V"Z,

AZ 10

. ZV" 7

smZAV =^z = W

Hieruit volgt /_ZAM" = 24° ongeveer en /_ZA V"= 44° ongeveer.

Mercurius bevindt zich dus altijd in de nabijheid "van de zon; vandaar, dat zij gewoonlijk slecht zichtbaar is en dus weinig geschikt voor observaties. Tusschen de keerkringen, waar de schemering kort duurt, is zij somtijds waar te nemen en zij vertoont zich dan als een ster van de tweede grootte.

Mercurius is, de asteroïden uitgezonderd, de kleinste der planeten.

De siderische omloopstijd van Mercurius, d.i. de omloopstijd van Mercurius ten opzichte van een vast punt van haar baan, is ongeveer 88 dagen. Omtrent den tijd die Mercurius noodig heeft voor een aswenteling en den hoek die de as maakt met het vlak van haar loopbaan is nog niets met zekerheid bekend.

Venus kan na den ondergang der zon belangrijk langer dan Mercurius boven den horizon blijven, of langer vóór zonsopkomst boven den horizon verschijnen. Uit Fig. 42 is duidelijk, dat beide planeten zoowel beoosten als bewesten van de zon kunnen staan.

Bevindt de zon zich bewesten Venus dan komt zij vroeger op en gaat vroeger onder dan Venus. Deze planeet is dan enkel zichtbaar na zonsondergang en heet dan avondster. Staat de zon beoosten Venus dan komt zij vroeger dan de zon op en gaat ook vroeger onder; zij is dan alleen 's morgens vóór zonsopkomst zichtbaar en heet morgenster.

Bij de standen M' en V', waarin de planeten zich tusschen de aarde en de zon bevinden, noemt men de planeten in benedenste conjunctie.

Bij de standen M en Vt waarin de zon zich tusschen de aarde en de planeten bevindt, heet men de planeten in bovenste conjunctie.

Als een planeet in bovenste- of in benedenste conjunctie is, is haar lengte gelijk aan die van de zon.

In helderheid overtreft Venus de helderste der vaste sterren en is daarom voor den zeeman zeer geschikt voor observaties.

De siderische omloopstijd van Venus bedraagt ongeveer 225 dagen. De aswentelingstijd van Venus en de hoek welke de as maakt met het vlak van haar baan om de zon, zijn nog niet bekend.

De buitenplaneten.

In Fig. 43 stellen ZA en ZM de banen voor van de Aarde en Mars. Bij stand M, waarin de aarde zich tusschen de zon en de planeet bevindt, in welk geval de zon en de planeet 180° in lengte verschillen, noemt men de planeet in oppositie. Bij stand M\ waarin de zon zich-tusschen de aarde en de planeet bevindt, in welk geval zon en planeet dezelfde lengte hebben, noemt men de planeet in conjunctie.

De elongatie der buitenplaneten varieert van 0° tot 180°. Als

Sluiten