Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De manen of wachters der planeten.

Om de meeste der planeten bewegen zich kleinere hemellichamen, die men satellieten, manen, wachters, of bijplaneten noemt.

Mercurius en Venus hebben geen wachters. De aarde heeft er één, de maan; Mars heeft er twee, waarvan de dichtst bij Mars zijnde een omloopstijd heeft van ruim 71/2U. De werkelijke beweging der binnenste satelliet van 't Westen naar 't Oosten is dus sneller dan haar schijnbare beweging van Oost naar West tengevolge van de wenteling van Mars om haar as. De binnenste maan komt dus, voor een Marsbewoner, in 't Westen op en gaat in 't Oosten onder.

De omloopstijd der buitenste maan bedraagt ongeveer 30u, d. i. dus ongeveer 51/'/ bmger dan de tijd, dien Mars noodig heeft om een wenteling om haar as te volbrengen. De buitenste maan komt dus, voor een Marsbewoner, in 't Oosten op en gaat in 't. Westen onder.

Jupiter heeft acht wachters.

Saturnus heeft tien wachters en is bovendien omgeven door in hoofdzaak drie concentrische ringen, die los van het hoofdlichaam der planeet en nagenoeg in het vlak van den equator der planeet gelegen zijn. De ringen draaien in ongeveer 10 uren om de as der planeet.

Uranus heeft vier wachters en Neptunus één, volgens sommigen twee wachters.

Verplaatsing der planeten aan de sfeer.

Als van de planeten dagelijks de declinatie en R.O. worden bepaald, dan bemerkt men, dat zij zich verplaatsen ten opzichte van de vaste sterren. Deze verplaatsing is echter niet regelmatig. In den regel verplaatsen zij zich van het Westen naar het Oosten, maar dan komt er soms een periode, waarin zij ten opzichte van de vaste sterren stil staan, om daarna zelfs voor korten tijd een teruggaande beweging van Oost naar West aan te nemen. Zij beschrijven dan aan de sfeer een bocht, of zoogenaamden knoop.

Het heeft den sterrenkundigen der oude tijden heel wat hoofdbrekens gekost, om de knoopen te verklaren.

Allerlei stelsels, met de aarde als vaststaand middelpunt werden opgebouwd en onvoldoende bevonden. Eerst in de 16e eeuw kwam Coppernicus met zijn, toenmaals hevig betwist stelsel, dat de verschijnselen niet anders waren te verklaren, dan door aan te nemen, dat de aarde en alle andere planeten in uitmiddelpuntige cirkels rond de zon wentelen. Later werd dit stelsel door Keppler verbeterd. Deze bewees n.1. dat de planeetbanen geen cirkels doch ellipsen zijn.

In Fig. 44 wordt de teruggaande beweging van een binnenplaneet aanschouwelijk voorgesteld.

ZV stelt de halve baan van Venus, ZA die van de aarde voor.

De pijlen stellen' de richting voor waarin een vaste ster S zich uit de aarde vertoont. Door de groote afstanden waarop de vaste

Sluiten