Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Om nu te kunnen zien, hoe hoog het water in het buisje is opgestegen, is de binnenwand der buis roodachtig gekleurd door een laagje zilverchromaat. Komt dit in aanraking met zeewater, dat altijd chloor bevat, dan wordt het zilverchromaat ontbonden en zet er zich een laagje chloorzilver af, dat wit is gekleurd.

Bij het meten van het verkleurde deel van het buisje, plaatst men het buisje met het dichte einde tegen de koperen plaat van de schaal.

Het buisje wordt bij het looden in een messingen koker vastgezet, zoodanig, dat de opening naar beneden wijst.

Bij het gebruik van dezen dieptemeter wordt aan den staaldraad een eind lijn van 3,5 M. verbonden, dat, om het kinken tegen te gaan, gevlochten is. Aan het einde dier lijn is een verzinkte ijzeren stang met kegelvormig lood bevestigd, die een gewicht heeft van 10 K.G. Dit lood heeft onderaan een gat, waarin vet kan worden aangebracht. De messingen koker waarin zich het glazen buisje bevindt, wordt onder en boven aan de lijn bevestigd, op zoodanige hoogte, dat er een afstand van ongeveer 2'/ê M. tusschen de ijzeren stang en den koker is.

Een nadeel van deze soort dieptemeter is, dat men een aanzienlijke hoeveelheid buisjes aan boord dient te hebben, daar men hetzelfde buisje alleen meermalen kan gebruiken als men zeker is opvolgend grootere diepten te zullen looden. De buisjes kunnen echter op nieuw worden gekleurd, wat evenwel bezwaarlijk aan boord geschieden kan.

Men heeft niet altijd buizen noodig voor het bepalen der diepte, vooral niet als deze groot is; de ervaring leert spoedig, hoeveel de wijzer bij iedere diepte en vaart aanwijst. Bij een vaart van 9 tot 11 mijl is de diepte ongeveer gelijk aan de .helft van den uitgeloopen draad. Bij een vaart van 15 a 16 mijl is de diepte ongeveer 2/7 van den uitgeloopen draad.

Voor diepten, grooter dan 100 vaam, zijnde buisjes niet ingericht, maar dat is voor het gewone gebruik aan boord van weinig belang.

Bij het loodtoestel behoort een ijzeren rol, die op de verschansing wordt geschroefd, en waarover de staaldraad bij het uitloopen wordt geleid.

Een paar beugels boven de rol beletten het afspringen van den draad van de rol bij het grond raken.

Verder behoort er nog bij een koperen haak, voorzien van een handvat, die bij het afloopen tegen den draad gehouden wordt. Men kan daarmede voelen dat de snelheid van het uitloopen vermindert, als het lood grond heeft.

Bij het looden moet gezorgd worden, dat de draad steeds gestrekt blijft, en er geen kinken in komen, want dat kan het breken van den draad ten gevolge hebben.

Komt een kink in de draad, dan doet men het veiligst door de draad te breken en daarna weer te splitsen

Daartoe legt men, volgens het Zeemans-handboek van l'Honoré Naber, de uiteinden twee voet over elkaar, draait ze ineen en soldeert ze aan de uiteinden en op verschillende afstanden vast met

Sluiten