Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorwerp van 27°, zoodanig dus dat, bij goede plaatsing van de lens (randverdeeling even binnen hoofdbrandpuntsafstand) bc = straal

van de roos V —«só—M2 X straal van de roos. Het gevolg hier-

cps27

van is dat men, voorwerpen in den horizon peilende, voor eiken graad die het peiltoestel buiten de vertikaal van het voorwerp gedraaid is, 0°,12 fout afleest, dus voor 4° ongeveer 0°,5 fout. Tot 27° boven den horizon wordt de fout kleiner. Bij 38° hoogte is de fout weer even groot als in den horizon en blijft toenemen met de hoogte, doch voor 60° is zij nog niet de helft van het bedrag dat men het peiltoestel buiten de verticaal heeft gezet. Het is dus alleen bij groote hoogten noodzakelijk dat men het beeld van het hemellichaam bij het aflezen laat samenvallen met den rooden wijzer. Nemen wij nu aan dat de hoofdbrandpuntsafstand der lens juist is, zoodanig dus dat de goede plaatsing van de lens, de afstand van de graadverdeeling tot de lens 1,12 Xstraal van de roos is, dan zal men toch belangrijke fouten kunnen verkrijgen door de lens te dicht bij de randverdeeling te brengen. Stel bijv. dat men de lens zooveel dichter bij de roos brengt, dat in Fig. 100 waar ab= 1° is, nu bc =1 straal van de roos is. Dan wordt /_AcB= /_acb == 2° en men zal dus van twee voorwerpen in den horizon, welke 2° in azimuth verschillen, in het peiltoestel slechts 1° verschil vinden. Wordt in dat geval het peiltoestel 4° buiten de verticaal van het voorwerp gedraaid, dan is het verkregen azimuth 2° fout.

Die fout wordt echter grooter wanneer men een hemellichaam peilt dat bijv. 38° of hooger boven den horizon staat. Bij 60° hoogte geeft een plaatsing van het peiltoestel 4° buiten den verticaalcirkel van het hemellichaam, een fout van 3°. Het teeken van deze fout is gehéél willekeurig, want het hangt af van de omstandigheid of men rechts of links van den verticaalcirkel heeft ingesteld. Op deze wijze kunnen dus bij een zoodanig foutief geplaatste lens, twee azimuths van een hemellichaam bij een hoogte van bijv. 38°, nagenoeg 5° verschil opleveren en, bij een hoogte van 60° een verschil van 6°.

Uit het bovenstaande blijkt ten duidelijkste dat het noodzakelijk is, om bij aankoop, reparatie of verwisseling van peiltoestellen te onderzoeken of de hoofdbrandpuntsafstand van de lens goed is en of de lens goed is geplaatst. Op de volgende wijze kan dat geschieden : Bij stilliggend schip in de haven peilt men de zon, wanneer zij een hoogte heeft van 25° h 30°; indien men dan het peiltoestel een weinig naar rechts en links draait, mag de peiling niet veranderen. Evenals bij alle peilingen zal mm natuurlijk op het waterpas moeten zien of de ketel horizontaal hangt.

Door het peiltoestel 180° om te draaien en de spiegel zoodanig te stellen dat de teruggekaatste zonnestralen evenwijdig aan de hoofdas door de lens gaan, wordt op de randverdeeling der roos een klein bèeldje van de zon zichtbaar. De verdeeling diametraal daar tegenover geeft een nauwkeurig azimuth van de zon. Het

Sluiten