Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

d0 = A-\-C+E

d4 = A-\-B sin 45°+Ccos 45°4-X> ds =zA+B—E

dié = A+Bsin 45°—Ccos 45°—D dx G = X— C+.2J

d2 0 = ^4—JBsw 45°—C cos 45°4-D

d2i = A—B—E $mM

d2z=A—Bsin4b04rCcos4b°—D

Uit deze vergelijkingen volgt: A=1/s(d0Ardi+d8+dl2+d16+d20-i-d2i+d28)

P —(^4 + ^8 + ^1 2)~(^20 + ^24+^28) _(^4 + ^8+^l2)—(^20 + ^24+^28)

2(1+2 sin 45°) . 4,83 .

C_(d0 + d4 + d2»)— (^ 1 2 + ^1 G + ^2 0 ) (C?0 + rf4 + ^2 8 ) — (^1 2+ rf» « + ^2 o)

2(14-2 cos 45°) 4,83

j) _ (^4+^2o) —(^12 + ^2's)

4

ff _ (^0 + ^1 6>— (^8 + ^24)

4

Bovendien volgt uit de bovenstaande vergelijkingen: B=\{d8-d2i) en C=%(d0-d16)

Voorbeeld. Volgens de waarnemingen zijn de afwijkingen bij de hoofd- en hoofdtusschenstreken als volgt:

d0 =— 0°,8 d4 = + 13°,0 d8 = + 12°,8 dl2 = + 5°,2 d16 = +0°,4 rf2ö = — 4°,2 d2i = —12°,6 d28 = —14°,0

Gevraagd de coëfficiënten- van de afwijkingsformule. A = i/8(—0o,8+13o,0+12o,8+5°,2+0°,4—4°,2—12°,6—14° 0) _ + 31°,4-31°,6 _-0°,2_ ~~ 8 ~ 8 —

D (13o,04-12°,8+5°,2)—(—4°,2—12°,6—14°) 31°+30°,8 , 1000

5- ■ 4,83 ~= 4,83 = + 12'8

(—0°,8-4-13o,0—14°,0)—(5o,2+0°,4—4°,2) _ —1°,8—1°,4,_ 0 4,83 — — 4^83 — '

n_(+13°,0—4°,2)—(5°,2—14°,0) _8°,8+8°,8_

—4 — —■ 4 -+4'4

(-0°,84-0°4)-(12p,8-12°,6) _-Q°,4-0°,2 = QO J5 4 4 '

Om de vier coëfficiënten A, B, C en D te bepalen, heeft men blijkbaar slechts vier vergelijkingen noodig, dus ook slechts vier waarnemingen bijv. bij de hoofdtusschenstreken. Men heeft echter kans op meer nauwkeurigheid, wanneer, zooals in het voorbeeld, acht waarnemingen zijn gedaan.

Sluiten