Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. NADERE RESCHOUWING DER HOOGTEVERBETERINGEN.

De straalbuiging.

a. Astronomische refractie.

Hoewel de verbetering voor de schijnbare kimduiking het eerst wordt toegepast op de gemeten hoogte, zullen wij eerst de straalbuiging behandelen, daar wij die bij de schijnbare kimduiking noodig hebben.

Wanneer een lichtstraal zich voortplant in een stof, die overal dezelfde dichtheid heeft, dan geschiedt dit volgens een rechte lijn.

Straalbreking of refractie is de verandering in richting die een lichtstraal ondergaat bij den overgang van de eene stof in een andere van verschillende dichtheid. In den regel is die richtingsverandering zoodanig dat het licht naar de normaal toe wordt gebroken'als het uit een minder dichte- in een dichtere stof overgaat en van de normaal af, wanneer het uit een dichtere in een minder dichte stof overgaat.

De straalbreking heeft plaats volgens de volgende wetten die door Snbll of Snelliüs ontdekt werden:

1°. De invallende en de gebroken lichtstraal liggen met de normaal op het grensvlak in hetzelfde platte vlak.

2°. De invallende en de gebroken lichtstraal vormen met de normaal op het grensvlak hoeken, waarvan de sinussen een standvastige verhouding hebben, voor twee bepaalde middenstoffen. Deze standvastige verhouding tusschen de sinussen van de hoeken van inval en van breking, noemt men brekingsaanwijzer of brekingsindex. -

Ben lichtstraal die van een hemellichaam op de aarde valt, zal bij haar intrede in de atmosfeer naar de normaal toe worden gebroken. Deze breking wordt sterker naarmate de lichtstraal meer de aardoppervlakte nadert, daar de dichtheid dor luchtlagen naar de oppervlakte der aarde toeneemt. De weg die een lichtstraal in den dampkring volgt, is dientengevolge een kromme lijn en een waarnemer op aarde ziet het hemellichaam in de richting van de raaklijn uit het oog aan de kromme lijn getrokken.

Deze richting kan, voor hoogten grooter dan 30°, beschouwd worden dezelfde te zijn als die waarin het hemellichaam zich zou vertoonen, indien de lichtstraal uit de luchtledige ruimte onmiddellijk in een luchtlaag kwam waarvan de dichtheid overal gelijk was aan die der lucht welke den waarnemer omringt. Als dus een lichtstraal SE, Fig. 115, komende van een hemellichaam waarvan de hoogte grooter is dan 30°, bij E in den dampkring treedt en vervolgens na breking in de verschillende luchtlagen langs F en G bij H in het oog van den waarnemer valt, dan zal de richting HG, waarin het hemellichaam zich vertoont, dezelfde zijn, als ware de lichtstraal S'G ongebroken bij G in de luchtlaag ABCD getreden, die den waarnemer omringt.

Sluiten