Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Aardsche refractie.

Als A en B, Fig. 116, twee punten zijn, op verschillende hoogten boven de aardoppervlakte gelegen, dan zal een lichtstraal, die van A naar B gaat of omgekeerd, luchtlagen ontmoeten van verschillende dichtheid en derhalve een onophoudelijk gebroken dus kromme lijn beschrijven.

De waarnemer in A zal dus het punt B zien in een richting AB', die met de ware richting AB een hoek BAB' = r maakt. Op soortgelijke wijze ondergaat de ware richting BA, uit B gezien, een afwijking volgens BA' en den hoek ABA' = r' stellende, noemt men r en P de waarden der aardsche refractie voor de punten B en A. Deze waarden van r en r' zijn door den veranderlijken toestand van den dampkring, niet standvastig.

De som van r en r' kan bepaald worden door het meten van de wederkeerige topsafstanden der punten A en B. Noemt men n.1. de gemeten topsafstanden /_TAB' = N, /_A'BT'' = N' en de middelpuntshoek /_ AMB = cp,

dan is £TAB=N+r l ABT' — N'-j-r' verder is /_ TAB—180°—/_MAB /_ABT'=180°—/_ MBA

op

l_ TAB-\-LABT' = 360°—(/_MAB+/_MBA) N-\-r-T-N'+r/=180o+cp

r+S =180° ArCp—(N+N')

Is nu de afstand AB zoo klein, dat de kromme lijn, die het licht doorloopt als een cirkelboog kan beschouwd worden, dan zijn r en r1 aan elkaar gelijk. In de praktijk zullen MA en MB eveneens nagenoeg gelijk zijn, dus dan is de boog AB nagenoeg evenredig met den /_cp en daar r en r' dan gemeten worden door den halven boog AB, zal de aardsche refractie, evenredig gesteld mogen worden aan cp, hetgeen men uitdrukt door de formule r = r' = (3cp, waarin /3 een nog .onbepaalden coëfficiënt

voorstelt, de coëfficiënt der aardsche refractie genoemd.

Uit het voorgaande hebben wij 2r= 180° + Cp — (N-\-N'), dus

. 180°+ $ — (N+N') /3 = ~ 2cp

Fig. 116.

Sluiten