Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het azimuth van het waargenomen hemellichaam 90° is, m a w

Wmn»ef vTtTTïemellichaam zich in den eersten verticaal bevindt.

iatel XL11I geeft den uurhoek en de hoogte, tijdens de gunstigste omstandigheden voor tijdsbepaling voor hemellichamen, waarvan de declinatie kleiner dan 31° is, voor breedten tot 72°.

Alleen bij gelijknamige breedte en declinatie en' b>d, zal een hemellichaam den 1» verticaal, boven den horizon, kunnen passeeren

Zajn b en d gelijknamig, doch b<d, dus wanneer het hemellichaam tusschen top en pool culmineert, dan neemt men de hoogte zoo dicht mogelijk bij den 1- verticaal, dus op het oogenblik dat de parallaktische hoek, 90° is. De gegevens in Tafel XLIII boven de streepjes dienen daarvoor.

Znn J en d ongelijknamig, dan is het hemellichaam het dichtst bij| den 1» verticaal bij de opkomst en ondergang. Men wacht dan To het ^afnemen der hoogte totdat het hemellichaam

o ot o boven de kim is, ten einde onnauwkeurigheid der straalbuigmgcorrectie voor al te kleine hoogten te vermijden. Bij een zeer kleine hoogte toch, heeft een fout in die hoogte vrij grooten invloed op de straalbuiging. Daarenboven sou het dan ook noodig worden om rekening te houden met den toestand van den dampkring, daar bij kleine hoogten, verschillen van barometerstand en thermometerstand met de gemiddelden uit Tafel XXXIII belane-

3£T T^vv^611 °P de ^raalbuiging, zooals uit de Tafelen XXXIV en XXXV blijkt.

De hoogtelijn

tJSt ho^BrtelSn kan in de kaart gezet worden, door een lijn te r door ,h.e* lengtepunt, loodrecht op de azimuthale richting van het hemellichaam Hiertoe kan men in boldriehoek STP, Fig. 134 het azimuth STP berekenen met de formule smT=

^ZiZtch- Natuurh;jk kan men 00k gebruik maken ™ ™

in E/n !°htT °--k een ,a,nderfn weg gevolgd worden om de hoogtelijn in de kaart te krijgen. Men kan n.1. met een breedte die bijv. 10' hooger is dan de geg. breedte, een tweede lengtepunt T9 Fig 134 berekenen en dan een lijn trekken door de beide punten T en T9' Hlel°°Srt W *♦ aD metianger een raakhJn' maa* de koorde tul ligïen It ^ ^ 7n d\+hrgt6parallel die zo° dicht °S elkaar ÏST't? ƒ koorde geacht kan worden samen te vallen met den boog. Daar deze methode een dubbele uurhoek- en lengte-berekening tengevolge heeft, wordt zij zelden toegepast. Allefn bij zeer groote hoogte van het hemellichaam, dus bij zeer sterke Lommmg van de hoogteparallel, kan het zijn nut hebben, de lengtebereken nf e herhalen, doch dan niet alleen met een breedtTe 10' hoogef is dan de gegiste maar bovendien met een breedte 10' lager dan de gegiste Men krijgt dan drie punten van de hoogteparalfel De

ïan^eïk' d.8trkende * die de drie P^tef verS, zax dan een kromme lnn kunnen zijn. '

Sluiten