Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dus het foutieve lengtepunt en SSt is de afwijking = A L. cos b tusschen ware plaats en foutief lengtepunt.

Is het hemellichaam niet in den len verticaal, is bijv. CD de juiste hoogtelijn, dan zal bij een zelfde fout in hoogte SE=SS1 = AA, de foutieve hoogtelijn door ClDl worden voorgesteld. S2 is dan het foutieve lengtepunt en SS2 is de afwijking = A L. cos b tusschen foutief lengtepunt en ware plaats.

Uit de figuur blijkt dat bij een zekere fout in hoogte, het verschil in afwijking, dus ook in lengte, tusschen Wekend lengtepunt en ware plaats, het minst zal zijn, als het hemellichaam in den eersten verticaal is en dat het verschil grooter wordt, naarmate het hemellichaam zich verder van den eersten verticaal bevindt.

Om den invloed van een kleine fout in hoogte op de lengte van het lengtepunt, door een formule voor te stellen, is in A SES* ES=SS2sin ES2S en daar /_ES2S= z_BSH{=het azimuth =T Ah = AL. cos b sin T

AT Ah

AL. = .

cos.o sm T

Uit deze formule blijkt dat een fout in hoogte den minsten invloed op de lengte van het lengtepunt uitoefent, als sin T zoo groot mogelijk is, dus als T=90° is en dat die fout in hoogte, lengtepuntberekening onmogelijk maakt als het azimuth 0° of 180° is. Verder blijkt nog dat de invloed van een fout in hoogte op de lengte van het lengtepunt het geringst is als cos b zoo groot mogelijk, dus als 6=0 is. J

In het allergunstigste geval, als n.1. de waarnemer aan den equator, en het hemellichaam in den len verticaal is, gaat een fout in hoogte in haar geheel over op de lengte van het lengtepunt. In alle andere gevallen gaat die fout vergroot over. Is het waargenomen hemellichaam in den len verticaal en is er een fout in hoogte van 3", dan is de fout in lengte ?an het lengtepunt, 3' maal de secans van de breedte.

Daar een noemenswaardige fout in de declinatie van het hemellichaam niet voorkomt, kan de invloed van een fout in declinatie op het lengtepunt buiten beschouwing blijven.

VIII. INVLOED VAN FOUTEN IN DE GEGISTE LENGTE EN IN DE HOOGTE OP DE BREEDTE VAN HET BREEDTEPUNT.

a. Invloed van een fout in de gegiste lengte. In Fig. 141 is t de gegiste plaats in de wassende kaart, S de ware plaats en T het breedtepunt, als het waargenomen hemellichaam in den meridiaan is en de hoogtelijn dus samenvalt met een parallel SA. In dit geval is de breedte van het breedtepunt gelijk aan de ware breedte. Is het hemellichaam niet in den meridiaan, heeft de hoogtelijn dus een richting SB of SC, zoodat ï\ of T2 het breedtepunt voorstelt, dan blijkt uit de figuur, dat het

Sluiten