Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verschil tusschen de breedte van het breedtepunt en de ware breedte, achtereenvolgens voorgesteld door TTX en TT2, grooter wordt naarmate het hemellichaam Fig. 141. verder van den meridiaan

staat. Tevens valt op te merken dat het gedeelte hoogtelijn van breedtepunt tot ware plaats dan steeds grooter wordt. In A Tj TSwaarin /_ T, ST= =/ HTi T= het azimuth T, is

TT, = TStg TXST Ab = Ali.cosbtg T.

Ook uit deze formule, blijkt even als uit defiguur, dat bij een fout in de geeiste lengte A L., het ver¬

schil tusschen de breedte van het breedtepunt en de ware breedte nul is als het azimuth van het hemellichaam 0° of 180° is en dat het verschil grooter wordt naarmate het hemellichaam verder van den meridiaan is. Het verschil Ab wordt oneindig groot als T=90°. Bovendien blijkt nog dat Aft kleiner wordt, naarmate men zich op hooger breedte bevindt. 6. Invloed van een fout in de hoogte.

Laten wij de fout in de gegiste lengte buiten rekening, zoodat in Fig. 142, de gegiste plaats t in de wassende kaart, de zelfde „ nAO lengte heeft als de

XlG. 14J. , ji , r.

ware biituiupiuaus u, dan blijkt uit de figuur, dat als het hemellichaam in den meridiaan is, als de , juiste hoogtelijn AB dus samenvalt met een'parallel, een fout in de hoogte SSÏ in haar geheel op de breedte van het £ breedtepunt overgaat. Heeft de juiste hoogtelijn een richting CD, dan heeft een zelfde fout in hoogte SE=-SSX, een invloed SS2 op de breedte Van het

breedtepunt, een invloed die volgens de figuur grooter wordt, naarmate het hemellichaam verder van den meridiaan is.

Sluiten