Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden, de verplaatsing van het snijpunt zal grooter worden, en evenzoo de ruimte waar binnen de ware plaats ligt.

Fouten in de hoogten zullen dus bij gelijktijdige of nagenoeg gelijktijdige hoogten den minsten invloed hebben op de plaatsbepaling als het verschil in azimuth der waargenomen hemellichaam 90° is.

Voor het geval van belangrijke plaatsverandering tusschen de beide hoogtewaarnemingen, kan het van belang zijn na te gaan, wat de invloed van een fout in de verzeiling is, op de standplaats van het schip.

In Fig. 153 is daartoe PQ de le hoogtelijn, AB=v. = de juiste verzeiling tusschen de waarnemingen, MN de 1" hoogtelijn herleid Fm. 153.

4,

tot de 2e waarnemingsplaats, EF de 2e hoogtelijn en S de ware standplaats. Als BC= A v. de fout voorstelt in de verzeilde verheid, wordt St de foutieve standplaats en stelt SSX dus den invloed voor van de fout in de verzeilde verheid op de standplaats bij de 2e waarneming.

SE

In den rechth. &SSXE is -^- = cos ESSx=sin BSS1 waaruit <™ SE

1~sinBSS1 ■ 'i-

In den rechth. ABCD, is BD = BCcos CBD = SE dus „„ BCcosCBD XT _

1=iünBSS—' Woemt men LBbSx, d.i. het azimuthverschil,

T—Tx en stelt men /_CBD, d.i. de hoek tusschen de koerslijn en de richting waarin het hemellichaam bij de le waarneming wordt

gepeild gelijk <p, dan is SSX = AJ^°S^ .

Sluiten