Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit deze formule blijkt dat de invloed van een fout in de verheid uit de verzeiling op de standplaats van het schip, in het algemeen, het minst is als sin(T—Tx) het grootst, dus het azimuthverschil 90 is en dat de invloed nul wordt als cos cp = 0, dus als cp =z 90° is. Hieruit volgt, dat wanneer het waargenomen hemellichaam bij de T observatie dwars gepeild wordt, men kan wachten met een 2e observatie tot een groot azimuthverschil ontstaan is, terwijl men zich met minder azimuthverschil zal moeten tevreden stellen, naarmate cp meer van 90° verschilt, d.i. naarmate het hemellichaam bij de le waarneming meer voorlijk of achterlijk wordt gepeild.

Als men aan de eene hoogtewaarneming meer waarde toekent, wat nauwkeurigheid betreft, dan aan de andere, dan is het van belang om na te gaan of de breedte dan wel de lengte de meeste kans heeft van nauwkeurig te zijn; men heeft dan in het oog te houden dat de hoogtelijn die het meest in de richting valt van een parallel de beste breedtebepaler is en dat de hoogtelijn die het dichtst valt m de richting van een meridiaan de beste lengtebepaler is.

Met het oog op het bovenstaande valt het gemakkelijk in te zien dat de omstandigheden voor plaatsbepaling door twee zonshoogten ongunstig zullen zijn als tusschen de keerkringen breedte en declinatie gelijknamig en nagenoeg gelijk zijn. Het wordt dan lastig . om een azimuthverschil te krijgen dat dicht genoeg bij 90° ligt De zon beweegt zich dan bijna den geheelen dag bij den 1"" verticaal, alleen dicht bij den middag verandert het azimuth met groote snelheid nagenoeg 180°. Het is in dat geval bovendien lastig^de hoogte te meten, daar men telkens boven een ander punt van de kim moet observeeren. De omstandigheden zijn, in dat geval, dan ook ongunstig voor alle methoden om door zonshoogten een plaatsbepaling te verkrijgen.

Daar men mag aannemen dat op lage breedte voor topsafstanden kleiner dan 10 de hoogteparallellen op de wassende kaart nagenoeg door cirkels kunnen worden voorgesteld, verdient het aanbeveling om kort voor den doorgang twee of meer zonshoogten te nemen op de bekende wijze de aardsche projectiën in de kaart te brengen en uit die punten met de topsafstanden als straal cirkelbogen te beschrijven. Het snijpunt dier bogen geeft dan met voldoende nauwkeurigheid de plaats van het schip. Zie over dit onderwerp verder het meergenoemde werk van M. C. van Doorn, „Plaatsbepaling op zee door hoogtelijnen."

Wanneer bij de methoden S., gewijzigde S. en St. H. de gedeeltelijke constructie wordt toegepast, is het in 't algemeen beter het azimuth te berekenen dan gebruik te maken van azimuthtafels. Bij nauwkeurige interpolatie die dan meer noodig is, dan wanneer het te doen is om de afwijking van het kompas, is het voordeel der azimuthtafels gering. Doch ook bij berekening kunnen fouten m de breedte of m de lengte dus in den gegisten uurhoek vrij groote fouten in het azimuth ten gevolge hebben. Is het hemellichaam dicht bij den eersten verticaal en is de hoogte groot dan zal een fout m breedte grooten invloed hebben; is het hemellichaam

Sluiten