Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Na ontwikkeling, met verwaarloozing van die termen waarin a tot een hoogere macht voorkomt dan —3, is

V=m(a~2 4-2a~3r4-enz..,. —a~2) = 2ma~3r= 2mt .

a6.

Hieruit blijkt dat de oorzaak, die de vloedgolf ten gevolge heeft, omgekeerd evenredig is met de derde macht van den afstand waarop het vloedveroorzakende hemellichaam van de aarde verwijderd is.

Op overeenkomstige wijze vindt men voor de oorzaak Vl van de

zonsvloedgolf Vx = 1— waarin m1 de massa van de zon vooras,

stelt en a, de afstand der middelpunten van zon en aarde. De

verhouding der beide oorzaken is dus:

V 2mr 2mxr _ m ax3

V\~~a?~ ' «!3" ~m/s~a*~

m . 1 a, . .,, ,,

—r is ongeveer noc.-onnr. en —l- is gemiddeld ongeveer 386,6

ml 26578000 a ° ° '

Z00dat T^=2657löööX (386,6)» = 2,17 ongeveer.

Volgens deze berekening is de oorzaak die de maansvloedgolf doet ontstaan dus ongeveer 2,17 maal grooter dan die welke de zonsvloedgolf vormt. De tijd van hoog water regelt zich dan ook voornamelijk naar den doorgangstijd van de maan en door den zonsinvloed wordt die tijd van hoog water vervroegd of verachterd.

De tijd die eiken dag verloopt tusschen maansdoorgang en het eerstvolgend hoog water heet het maansverloop.

Werken zon en maan in dezelfde richting, dus tijdens de zoogenaamde syzygiën (volle of nieuwe maan), dan is het springtij.

In de kwartierstanden werken de vloedgolven van zon en maan elkander tegen, er ontstaat slechts geringe rijzing en daling, dan heeft men doodtij.

Tweemaal in de maand is het dus springtij en tweemaal doodtij. Het verschil tusschen de waterhoogten bij springtij en doodtij noemt men de halfmaandelijksche ongelijkheid in hoogte en het verschil tusschen het grootste en kleinste maansverloop de halfmaandelijksche ongelijkheid in tijd.

Verandering in den afstand van de maan tot de aarde zal van invloed zijn op de vloedvorming. Is de maan in haar Perigeum, dan zal de maansinvloed het sterkst zijn. De verandering in den zonsafstand is van minder invloed omdat die afstand zoo groot is.

Ook de verandering van de declinatie der zon en in sterker mate die van de maansdeclinatie oefenen op verschillende wijzen invloed uit op de getijden

In het geval dat de maan haar grootste declinatie heeft, zooals in Fig. 156 is aangenomen, dan is AA' de groote as der waterellipsoïde die zich vormt door de werking der maan. Draait de aarde om haar as pp', dan zal bij onveranderden stand van de maan de as AA' haar zelfde richting behouden. Voor alle punten van den

Sluiten