Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geval zijn als de doorgangstijd van het denkbeeldig hemellichaam M2, 0U of 12u M.T. is, als dus de groote assen der waterellipsoïden M2 en S2 samenvallen en bovendien de kappagetallen van deze getijden 0 zijn. Het springtij valt dan op de dagen der syzygiën.

Ook als de kappagetallen niet 0 maar gelijk zijn, zal het springtij op de dagen der syzygiën vallen. Als beide kappagetallen bijv. 30° zijn, dan valt het oogenblik van het hoogste getij ten ongev. lu N.M.

Wanneer de kappagetallen ongelijk zijn, dan kan de datum van springtij belangrijk verschillen met dien waarop M2 te 0U of te 12u door den meridiaan gaat. Om dan den dag van springtij te bepalen, houde men in 't oog dat het verschil der kappagetallen, uitgedrukt in graden der getij-periode, tevens het phaseverschil der beide getijden is. 'Jr^È

Is dit phaseverschil 0 of 360° dan vallen de groote assen der waterellipsoïden samen en is het springtij.

De phaseverandering per uur van het getij jS2 = 30° en die van M2 = 28°,98. Per uur naderen de groote assen der waterellipsoïden elkaar dus 1°,02. Door deze waarde op het phaseverschil te deelen, krijgt men derhalve het aantal uren dat na den middelbaren middag Van den dag van volle of nieuwe maan nog verloopen moet, voor dat de hoogste waterstand bereikt wordt. Het voorgaande toegepast op Boston, geeft het volgende: kappagetal M2 = 335°, kappagetal qqk° 140

S2 = U° dus x= ioQ2 =38u,2 of ruim 1,5 dag.

Voor het bepalen van den dag van springtij, in geval men te doen heeft met een zuiver enkeldaagsch getij, waarbij dan de getijden Ifj en Oj de hoofdrol vervullen, houde men in 't oog dat het correctiegetijden zijn voor den invloed der maansdeclinatie.

Als op een plaats de kappagetallen van Kx en O nul of gelijk zijn, zullen op de dagen waarop de maansdeclinatie haar grootste waarde heeft, de getijden Kx en O op hetzelfde oogenblik H.W. maken en derhalve springtij veroorzaken.

Zijn de kappagetallen ongelijk, dan moet hun verschil weer gedeeld worden door het verschil der phaseveranderingen per uur van de getijden Kt en O om het aantal uren te verkrijgen dat er na den dag van grootste maansdeclinatie verloopen moet om den hoogsten waterstand te hebben.

De phaseveranderingen per uur van de getijden Kx en O zijn achtereenvolgens 15°,04 en 13°,94 (Zie Tafel XLIX6). Het verschil der kappagetallen moet dus gedeeld worden door 15°,04—13°,94 = = 1°,1.

Voor de gemengde getijden, raadplege men de verklaring van den inhoud der „hydrografische tafelen" door J. M. Phaff.

Sluiten