Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERTIENDE AFDEELING.

BESTEK OPMAKEN.

In zee zijnde., is men gewoon zoo spoedig na den middag als de berekeningen dit toelaten het bestek in de kaart te zetten, d.i. de breedte en lengte van de standplaats van het schip in de kaart te brengen.

In volle zee kan men volstaan met het bestek eenmaal in het etmaal af te zetten en hoewel de lengte op den middag in den regel niet zoo nauwkeurig bekend kan zijn, heeft het voor de praktijk geen bezwaar als voor den tijd van het bestek afzetten de raiddag wordt gekozen.

Komt men in de nabijheid van land, wordt dus grootere nauwkeurigheid vereischt, dan is het plicht, van elke gelegenheid gebruik te maken om de standplaats van het schip door snijding van hoogtelijnen te bepalen. Vooral komt dan in aanmerking de plaatsbepaling door gelijktijdige of nagenoeg gelijktijdige waarnemingen van twee hemellichamen met voldoend azimuthverschil, daar men dan onafhankelijk is van fouten in het gegist bestek, die bij verplaatsing tusschen de waarnemingen verwacht kunnen worden. Nachtelijke waarnemingen krijgen dan groot belang.

De gewone waarnemingen en berekeningen voor het middagsbestek zijn als volgt:

's Morgens tegen het oogenblik waarop de omstandigheden voor tijdsbepaling en lengtepuntberekening het gunstigst zijn, zorgt men gereed te zijn met het gegist bestek voor dat oogenblik, waartoe de afgelegde koersen en verheden sedert den vorigen middag uit het journaal genomen worden. Men neemt dan een serie van zonshoogten waar en noteert daarbij de aanwijzingen van den tijdmeter. Men kan daarbij gebruik maken van een observatie-horloge, dat vóór en na de observatie met den tijdmeter moet vergeleken worden. Te gelijk met de hoogte waarneming wórdt de zon gepeild. Men berekent de ligging van het lengtepunt, het azimuth en de miswijzing van het kompas. Het lengtepunt en de hoogtelijn worden in de zeekaart of in een kaartnet gezet. De klok wordt gelijk gezet met den berekenden W.T. a/b.

Later op den voormiddag, als de zon voldoende van azimuth veranderd is sedert de 1* waarneming, wordt een 2e serie van zonshoogten waargenomen en wordt een 2e hoogtelijn in de kaart gebracht, gaande door het hoogtepunt, of anders, in verband met de grootte van den uurhoek, door lengtepunt of breedtepunt. De eerste hoogtelijn wordt op de bekende wijze herleid tot de 2e waarnemingsplaats en men vindt de standplaats uit de snijding van de verplaatste le hoogtelijn én de 2" hoogtelijn.

Sluiten