Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mersteenen thans op het Fransch gebied kunnen worden afgezet. Weliswaar, er schieten voor de zuidelijke provinciën nog zeer gunstige artikelen van uitvoer over, zooaJs bijvoorbeeld het vlas en de steenkolen, maar het gemis van een uitweg voor de drie eerstgemelde blijft desniettemin bijzonder voor landen van geringe welvaart, zooals het Groothertogdom en Namen, uitermate grievend en des te grievender, naarmate de vroegere staat van zaken, toen men op dien uitweg rekenen kon, langer geduurd had. Er kan ons echter worden tegengeworpen dat, hoe vrijgevig ons systhema zich in het algemeen moge voordoen, de invoer van enkele objecten met prohibitieve regten bezwaard gebleven is; het ijzer bijvoorbeeld en de steenkolen, en op het hoornvee is ons eigen regt slechts 8 franken per stuk minder, dan dat, welke wij in de jongste Fransche wetten berispen*). Doch ons antwoord hierop is, dat die voorbeelden uitzonderingen betreffen, waarover Frankrijk althans niet klagen kan, aangezien het ons nimmer steenkolen dan in geringe hoeveelheid, geen ijzer en vooral geen slachtvee te leveren heeft gehad; en van dit laatste artikel was onze uitvoer daarentegen alleraanmerkelijkst, en een sedert lang gevestigd voordeel is ons door de verhooging van het regt tot op 50 francs ontnomen *). Niet op deze of geene bepalingen van het tarief, in het afgetrokkene beschouwd, komt het aan, maar op den handel zooals die overhoops onder de wederrijdsche wetgevingen gedreven wordt, en op de vraag of niet het eene rijk daarbij alle gemak en toegevendheid geniet, terwijl de werkzaamheid der onderdanen van het andere langs hoe meer moeylijkheid en beperking ondervindt. Plaatst men de zaak onder dit algemeen gezigtspunt, dan wordt het klaarblijkelijk, dat er voor de ongunstig behandelde partij gegronde termen zijn om te reclameren en wij zijn dus allezins van oordeel, dat bij het Fransche gouvernement stappen dienen te worden gedaan om de maatregelen gewijzigd of ingetrokken te krijgen, die in de lente van 1822 ») het vertier der voortbrengselen van onzen grond zoo aanmerkelijk hebben benadeeld en belemmerd *).

*) In de Nederlandsche tariefwet van 26 Augustus 182a is gegoten ijzer met f 0.25, smeed- en staf ijzer met f 425 P« "» P»™* oelast, steenkolen met f 7 — per 1000 pond; ' slachtvee: stieren, ossen en koeien, met f 20.— per stuk. 2) Wet van 37 Juli 1823.

») 5 Mei 18*3 heeft Robert Fagel een nota hierover hij de Fransche regeenng ingediend, maar ronder sttóees. Dan volgt hernieuwd aandringen van Fagel, uitstel vaa

Sluiten