Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een algemeen erkend en op zichzelve ook ontwijfelbaar beginsel is, dat het vermeerderen van het vertier naar buiten voor alle de takken van inlandsche nijverheid de grootste en wezenlijkste aanmoediging is.

Alle nieuwe uitweg moet dus welkom zijn, vooral voor de inwoonderen eens lands, welks omtrek zoo bepaald is.

Dit leidt mij tot eene aanmerking, welke ik mij veroorloven moet hier in te lasschen.

Toen Frankrijk voor de laatste gebeurtenissen in 1813 een groot gedeelte van Europa had ingelijfd en op vele andere volkeren, die zij hare bondgenooten noemde, eenen onbepaalden invloed had, konden verbodswetten (en), hooge regten zonder gevaar voor de inlandsche nijverheid worden uitgevaardigd en ingevorderd. De kring, waarin de handel zich bewegen kon, was ruim; alle wetten werkten maar tegen een mogendheid; het continentaalstelsel was de naam, die men aan die beperking gaf. Maar op die groote uitzondering en eenige kleine na, mogt het stelsel als zeer mild be schouwd worden, maar nu dat groote rijk van een gescheurd is en zeer vele en groote deelen van hetzelve afzonderlijke staten geworden zijn, nu verandert ook dat stelsel van aard, van invloed, en het kan niet meer afdoen, want elk gedeelte en dus ook ons rijk is nu te nauw beperkt om alle deszeMÉ< voortbrengselen binnen hetzelve te kunnen slijten.

Zoo nu deze beschouwing niet geheel en al verkeerd is, dan is het voor Nederland, gelijk ik aanmerkte, van het hoogste belang om uitwegen (débouchés zegt men gewoonlijk) te openen en dit algemeen belang mag niet achterstaan, omdat enkele bijzondere takken min of meer gekwetst worden. Maar dan ook moet dit algemeen belang wezenlijk daarvoor bevorderd worden; wanneer dus van een handelstractaat met Engeland de rede is, moeten onze voortbrengselen evenzoo gemakkelijk aldaar worden aangenomen als da hunne bij ons.

Zijn er enkele uitzonderingen noodzakelijk, hetzij hier of daar, men geve die van weerskanten toe, maar men beperke dezelve zooveel mogehjk en late het voor het overige aan den natuurlijken loop der zaken, die door inspanning van geest en lichaamsarbeid geregeld wordt, over, en ik mag hier het gezegde van den heer Huskisson overnemen, die volgens den brief des heers Falck van

Sluiten