Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat het tweede punt, de vaart op de wederzijdsche bezittingen in Afrika, Amerika en bepaaldeüjk de West-Indiën betreft, zoo is het voorgekomen, dat de uitslag zal moeten worden afgewacht van de vertrouwelijke correspondentie, die ik naar aanleiding van U. Exc.'s missive van 7 dezer*) geopend heb, alvorens wij eenig stellig gevoelen daaromtrent kunnen voordragen. Daar intusschen, gelijk zooeven is opgemerkt, een voorloopig antwoord alleszins noodig schijnt te zijn, ten einde zoo mogelijk de zaken in haar geheel te houden, zoo zouden wij van oordeel wezen dat, zonder dat Z. M. daardoor zich eenigszins stellig bepaalt, aan het Engelsche ministerie zoude kunnen worden geantwoord, dat H. D. alleszins genegen is om dit onderwerp in ernstige en gunstige overweging te nemen. Tegenover dergelijke verklaring behoort echter, naar ons inzien, reeds dadelijk te staan de zaak van Demerary, Berbice en Essequebo, en ik ben derhalve met den minister Elout van oordeel, dat de ambassadeur Falck daarbij 's konings hoop behoorde uit te drukken, dat men ook van den kant van het Engelsche ministerie geene zwarigheid maken zal om, staande den verderen loop der onderhandeling, dadelijk toe te stemmen in eene verlenging bv. hoogstens voor drie jaren van den in 1820 gestelden termijn voor de toelating van buiten Nederland gebouwde schepen in onze vaart op Demerary enz.') en dat het Engelsche gouvernement dadelijk de noodige bevelen dienovereenkomstig zal willen geven, daar de laatst toegestane termijn met den 31ste» December van dit jaar eindigt en van het meest gewigt is, dat de belanghebbenden niet langer in onzekerheid blijven. Op deze wijze zoude dan voor beide partijen reeds iets bij den aanvang der onderhandelingen gewonnen zijn, terwijl het aan de prudentie van 's konings ambassadeur kan worden toevertrouwd om aan de heeren Canning en Huskisson de onmogelijkheid te doen gevoelen, waarin Nederland is, om in eene zaak van zooveel belang, als is de openstelling der vaart op de Nederlandsche West-Indische bezittingen, met spoed en tevens met die bedaardheid en omzigtigheid te handelen als de verschillende belangen, die daarbij-ÉÜM trokken zijn, niet alleen gebieden, maar ook voor het welslagen van. en de algemeene goedkeuring op de schikking wenschelijk doen voorkomen.

*) R. A, Buitenlandsche Zaken, exh. 7 Juli 1825, no. 16. *) Zie hiervoor blz. 189, noot 2.

Sluiten