Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scWkkingen zulks wenschelijk mogten maken of waar de voortbrengselen der Nederlandsche nijverheid op gelijke wijze gunstig wierden behandeld.

De bedenkingen, welke zich tegen eene verandering van stelsel hebben voorgedaan, de onzekerheid, of het tijdstip daartoe wel gunstig zoude zijn, deden Z. M. intusschen vooralsnog van het opgekomen denkbeeld afgaan; het gevolg daarvan was het aanbrengen van wijzigingen in het tarief, zoodanig als dezelve vervat zijn in het ontwerp, bij de boodschap van den 2xen November 1.1. aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden *).

Z. M. is echter verre van het denkbeeld te laten varen; het beginsel, dat voortaan hoogere regten den regel en lage regten de uitzondering zouden uitmaken, komt H. D. alsnog aannemelijk voor, en Z. M. vindt zich in dit gevoelen versterkt door de overweging der depêche van H.D. ambassadeur te Londen van den 26en December 1.1.2), daar toch, wanneer de regten in het algemeen zoo hoog gesteld wierden, dat dezelve tegen de vreemde tarieven opwogen en de verrnindering dier regten tegen andere concessiêh wierd aangeboden, daarvan het gevolg zoude zijn, dat de Nederlanden en Engeland zich omtrent de gelijkstelling der vlaggen gereedelijk zouden kunnen verstaan.

Daar nu door de afdeelingen der Tweede Kamer op het aangeboden ontwerp van wet aanmerkingen gemaakt zijn, welker beantwoording gereede aanleiding tot wijziging van het ontwerp kan geven, zoo verlangt Z. M., dat het hierboven aangegeven denkbeeld door het Departement van Buitenlandsche Zaken worde overwogen en in verband beschouwd met de bedoelde depêche van den heer Falck, ten einde H.D. vervolgens omtrent de ten dezen behandelde vraag te dienen van consideratiën en advies, zoo spoedig als de aard der zaak zulks zal toelaten.

No. 146. — 1826, Januari 13. — verstolk

aan den koning*).

Ter voldoening aan U. M.'s geëerbiedigd verlangen, mij te kennen gegeven bij missive van den Secretaris van Staat van

l) Zie Handelingen der Tweede Kamer, 1825/1826, blz. 31. *) No. 143.

s) R. A, Buitenlandsche Zaken, 13 Januari 1826, no. 1.

Sluiten