Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den ^en dezer *), heb ik met de meeste aandacht de moeyehjke daarbij vastgestelde vraag overwogen, of het doelmatig zoude zijn de wet van den 26en Augustus 1822 en het daarbij vastgesteld tarief *) in dier voege te wijzigen, dat voortaan hoogere regten den regel en lage regten de uitzondering zoude uitmaken, met andere woorden, dat de regten over het algemeen hooger wierden bepaald en de vrijlating, bedoeld bij art. 9 dier wet, omgekeerd, zoodat de regten zouden kunnen worden verminderd ten aanzien van al zulke landen, waar onderlinge schikkingen zulks) wenschelijk mogten maken en waar de voortbrengselen der Nederlandsche nijverheid op gelijke wijze gunstig wierden behandeld.

Bij de algemeene beschouwing van zoodanige verandering in het Nederlandsche tarief is het mij niet gelukt de bedenkingen op te lossen, welke zich daartegen schijnen op te doen, terwijl het mij ook niet gebleken is, dat zulk een stelsel bijzonder nut aan onze betrekkingen met Engeland zoude aanbrengen.

Om mij in de eerste plaats tot de algemeene beschouwing te bepalen, zoo zouden, welke menigvuldige uitzonderingen voldoende schikkingen met andere staten ook mogten ten gevolge hebben, hooge regten of prohibitieve grondbeginselen dan toch den regel uitmaken, en al geraakte deze regel trapswijze door bijzondere verdragen met alle de daarin betrokkene volken buiten werking, zoo zoude dezelve niettemin als regel blijven bestaan en de Nederlanden, die nog onlangs het grondbeginsel van eenen zooveel mogelijken vrijen handel aankondigden, in het onverdiend daglicht plaatsen, alsof op een tijdstip, wanneer zelfs zoodanige mogendheden, welke te voren het stelsel van hooge regten met de meeste halsstarrigheid aankleefden, er van terugkomen, alhier de denkbeelden eene omgekeerde rigting genomen hadden.

Terwijl er aldus met de daad lage regten geheven werden, zouden zoowel bij andere volken als bij de handeldrijvende klasse der Nederlandsche ingezetenen alle die gewaarwordingen levendig geraken, waarvan men de uitboezeming telkens, wanneer er hooge of prohibitieve regten in aanmerking kwamen, gezien* heeft.

Ondertusschen kan men zich naauwelijks vleyen, dat Neder-

1) No. 145. *) Stsbl. no. 39.

Sluiten