Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanzien van dat rijk voor het oogenblik niets behoeven gedaan te worden; omtrent Engeland is het echter anders gelegen, en Z. M. gevoelt, dat de gesteldheid der handelsbetrekkingen met Groot-Brittaniëh, vooral in derzelver verband tot Frankrijk, niet langer op den tegenwoordigen voet kunnen blijven.

Wanneer intusschen dezerzijds wierd overgegaan tot het nemen, zooals ten aanzien van Frankrijk, van retorsieve maatregelen tegen Engeland, zoude daaruit noodwendig hetzelfde ongerief ontstaan, dat evenals het eerstgenoemde rijk ook het tweede zich over eenzijdigheid zoude beklagen, terwijl de intrekking van den geheelen maatregel, tegen Frankrijk genomen, zonder dat hetzelve daartoe, door aan eenen anderen kant aan de Nederlanden iets toe te geven, den grond zoude hebben gelegd, als eene zwakheid of erkentenis van onbillijkheid dezerzijds zoude rijn aan te merken, waarvoor geene redenen aanwezig zijn, te minder daar de wet van den 8en Januari 1824 bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal met eenparigheid van stemmen is aangenomen.

Z. M. is uit dien hoofde op het denkbeeld gekomen, of niet ten dezen een middenweg zoude kunnen worden ingeslagen door met intrekking van het K. B. van den 2oen Augustus 1823x) de daarbij, voor zoover Frankrijk betreft, bezwaarde of verbodene voorwerpen in het algemeen te bezwaren of te verbieden, waarbij alsdan nog zouden moeten worden gevoegd eenige andere artikelen, meer in het bijzonder de voortbrengselen der Britsche nijverheid betreffende, terwijl in de nadere bepaling niet meer zouden moeten worden begrepen zoodanige voorwerpen, welke thans ten aanzien van Frankrijk bezwaard of verboden zijn, doch waaromtrent een algemeene verbods- of verhoogingstelsel voor den Nederlandschen handel zoude geoordeeld worden nadeelig te moeten werken.

Z. M. verlangt, dat door het Departement met overleg van de Administratie der Nationale Nijverheid worde nagegaan, welke voorwerpen, in het besluit van den 20e» Augustus 1823 en daarop gevolgde wet van den 8e» Januari 1824 vermeld, voor de aangegeven uitbreiding vatbaar zouden zijn, welke Engelsche artikelen in den maatregel begrepen zouden moeten

l} Stsbl, no. 34,

Sluiten