Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze rijke schoonheidspassie heeft tamelijk lang geduurd, vermoedelijk van 1611 tot 1615; zij valt samen met het begin van zijn letterkundige werkzaamheid, heeft deze waarschijnlijk mede gewekt, als het bier ten minste dezelfde Margriete geldt, wie hij toezong: Margrite Lief! ghy hebt mijn iblygeestigh gedacht

En 't eerste glinstrend vier in mijne siel gebracht,

Mijn lieffelijcke .pijn, mijn onverbloemde gunsten. Ghy hebt mijn eerste zangh en mijn verliefde klacht,

Het welck schildert ai de groote Min sijn kracht, En om u dienst te doen so leer ick vrye kunsten.

En toch aan het eind: „Als het hart schier heeft vercreghen tGheen (sijn oogh) garen siet, De reeden segt

daar teghen: Voorwaar ten dienst u niet Ghy

mint dat u meest deert." De rede! Dat wil zeggen, dat het vuur is uitgebrand'; dat hij zich vrijwillig afwendt van zijn tijdelijk schoonheidsideaal. De extase der uiterlijke schoonheid heeft uitgewerkt; de kunstenaarsziel is misschien voorloopig, rijker, tot kalmte en bezinning gekomen.

Toen zijn zijn zinnen bekoord door een „deughdrijck, wel gebooren, Bescfaeyde wyse Vrou," waarschijnlijk „Moy Aeltje." Ook bier heeft hij' de rust van een het leven vullende liefde niet gevonden. „Ick wou wel siet, Maar sy wou niet. Doe bleef ick int verdriet." En hij speurt rond; overal ziet hij „soo schoone Roosen," die opkomen en vergaan als voorbijtrekkende schepen. Rozen van één dag zal hij menige geplukt hebben. Tot daar (naar het gegronde vermoeden van Schepers8) in de bewogen zoekende ziel van den dichter ontwaakt de zoete teederheid, de kalme zachte genegenheid1, de meer geestelijke toeneiging naar de treffelijke, kunstrijke Maria Tesselschade. Op haar toch moeten de verzen wel doelen:

l) Zie N. Gids, September 1917.

Sluiten