Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de onderste lagen van zijn stad1, waar de pochende jonker en zijn practisch knechtje, in beminnelijk discours zich uitbeeldend, door been wandelen, blijkt wel waar hij zegt in zijn opdracht aan dien lezer: „Ick stel u hier naecktelyk èn schilderachtig" (d. i. gelijk een schilder) „voor oogen de misbruycken van deze laetste en verdorven werelt, de gebreckelyckheyt van onze tijdt en de kerok- en straet-maere mishandelinghen van de gemeene man," die algemeen bekende dwaasheid in heel ztjn Zijn. Hij beeft daarbij, zegt hij uitdrukkelijk, zijn eigen dwaasheden niet vergeten, wat ons het recht geeft om te vermoeden, dat we in Otje Dickmuyl den schilder-dichter, die „inde kroegen en tavarens (zijn) leven miest versleten" heeft, mogen zien.

Zoo is dit werk onder Breero's handen geworden de stoere schets, de machtige eerste aanzet voor wat Querido mocht uitwerken in zijn Jordaan.

Men beeft van dit 'boek beweerd', dat er eigenlijk geen begin en geen eind aan is en dit daar geprezen als een schitterende deugd;"1*) immers Querido wil niet in de eerste plaats geven een beeld' van bepaalde individuen, van eenige levens binnen eng-begrensdè lijnen, maar eën brok volksleven, „een leven, welks begin en einde ver buiten onze onmiddellijke perceptie liggen." Ditzelfde geldt voor den Spaanschen Brabander; al die menschen, spinsters, snollen, patriotten, kwajongens, notaris en schout, koppelaarster en vrek komen en gaan zoo als alles iö het leven komt en gaat. Zoo werd het eindige de uitbeelding van het oneindige van den eeuwigen troosteloozen humor van het leven.

Laten we even een enkel bedrijf hier overzien. In de eerste helft van het eerste: Ierolimo tegenover Robbeknol in hun verleden en heden. Welk een glorieuse, pakkende tegenstelling: de hooghartige, snoevende, verloopen sinjoor, na zijn slampamperig bestaan in

n) '29f' M. H. van Campen, Over Litteratuur, 80.

Sluiten