Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Antwerpen, berooid te land gekomen in de stad der toekomst, speurend, hoe hij best door wat hij zijn superioriteit waant, ten koste van de goedvertrouwende Hollanders zijn schamele grootheidsillusie kan rekken. En Robbeknol de arme zwerver, overal in verdrukking, met bedelen zijn brood zoekend, maar toch vief van geest, helder van kijk op het leven, aanpakkend wat er aan te pakken is; alles behalve o verduveld door de snorkerige f razen van zijn nieuwen patroon. Tegenstelling tusschen die beiden, maar ieder in zich zelf evenzeer een vat vol schrijnenden humor.

Dan daartegenover de tweede helft die schijnbaar niets met de eerste heeft uit te staan. De doodgraver met de baar in zijn machtelooze woede tegen de scheldende, gooiende, duwende straatbengels, zijn rustig gepraat met de drie oude Amsterdammers uit het lagere volk. Eerst over den doode, wiens doopceel wordt gelicht, maar toch daartusschen door de algemeene volkswijsheid: Ey laat de dooden rusten, zegt van de afwezenden geen kwaad. Dan over de heerschende ziekte, den onverbiddelijken dood in het algemeen. Plotseling die uitvallen over eikaars verleden, een scheldpartij, die een oogenblik een kwaadaardig karakter dreigt aan te nemen, tot in dit venijnig gezeur de dood' weer naar voren komt; Zeg, Floris, hoeveel waren er weer deze week? 'Nou, al zooveel als de vorige; weet hij het! Eigenlijk beneden zijn waardigheid, daar op in te gaan. Vraag het aan de kletsende 'kakelende wijven, die op de muren van het kerkhof hangen. En even teekent bij ons in scherpe, snijdende lijnen den luguberen troep.

Maar hij moet verder, adieu.

Hoor dat gepraat als de stadige kabbeling van vuil grachtwater, dat stil geleuter over nonsensige zaken, dat kneuterig genieten van vieze moppen, dat fel uitschieten soms in bitse scheldwoorden, dat altijd maar lachen en keuvelen over de zotheid van het leven. En

Sluiten