Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heel het leven, waarin hij zijn Spaanschen Brabander schiep. Voor deze uitgave is de kwestie verder van geen belang.

Een andere kwestie is dé platheid van dit spel voor dé verbeelding van een hedendaagsch publiek. 'De menschen van nu, die van Breero's werk ongestoord genieten willen, behooren alle ergernis in dit opzicht te overwinnen en aan den kant te zetten. Zij behooren overtuigd te zijn dat in de driehonderd1 jaar, die tusschen Breero en ons liggen, 'de grenzen in dezen geheel zijn verlegd, dat Breero voor zijn tijd en zijn publiek vrij wel binnen de grenzen der betamelijkheid' is gebleven, dat hij heel weinig geschreven heeft, wat toen niet zonder bijzondere aanstoot te geven in goed gezelschap kon 'gezegd worden.

Het is waar, de dichter erkent in zijn opdracht aan den lezer, dat hij zijn snollen wat „onghebreydélt en slordigh" heeft voorgesteld; hij verontschuldigt zich met dezelfde opmerking, die ook thans nog vaak ter verdediging van realistische kunst wordt aangevoerd, nl. dat de menschen „nochtans op straat, binnenshuys en elders (Godt betert) daeghlycx veel ergher hooien en doen"; hij vindt het noodig in zijn zoo merkwaardig Catsiaansch getinte {voor hij ter nauwernood iets van Cats in druk kon gezien hebben) rijmerij „tot dén lezer," die aan den Spaanschen Brabander voorafgaat, zich op het reeds zoo oudé „den reinen is alles rein" {vb. 42) te beroepen. Deze feiten doen vermoeden, dat de auteur besef te in dit spel toch wel een beetje buiten de gewone perken van bet druk- en vertoonbare te zijn gegaan.

Lezen we echter in de Voor-reden tot zijn Geestiigh Liedtboecxken 's dichters verontwaardiging over bet feit dat 'bet „ten tweedemale t'Amsterdam van eenige Gesellen, sonder mijn weten ghedruckt is, met sommige on-eerlijcke en ontuchtighe Liedekens, die al op mijnen naam loopen. Maer de eer

Sluiten