Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het liep na mijn meer verbaast, en 't riep met een

schrik:

Och memmetje! memmetje! waart me, waart me, hier

is Heintje Pik.

Hij grimlachte en grijnsde, en schelde met één woort

moer en kijnt:

Loopt aan de gallig, seid' hij, gij verbranselde hoeren-

kijnt!

125 Dat woortje van mijn broertje dat vatten ik terstond,

al was ik jong: Och, docht ik, hoe mennig hoort men met een schotseren tong 'Een ander lasterlijk schelden en schennen Van de gebreken, daar sij zelfste vuilst' van bennen, Door dien sij, als mijn broer, haar selven niet en

kennen.

130 Om kort te maken, Jonker, dit komen en dit gaan Kwam d'opsiender van 't huis en de stal-mee ster te

verstaan;

Sij leiden op hem toe met wachten en met waken, Soo lang tot dat sij hem sien roeven, stelen,

taken

De haver en het hoi, ja toornen, stevels, spooren,

kwispels, en

135 Dek-kleên, beere-vellen en ander goet dat ik niet

noemen ken,

Als de .gebitten, ja de hoef-ijsers selfs van de paarden, Die hij de smits en de wage-boeven verkort om halver

waarden:

122 Waart me: bescherm me. — Heintje pik: de Duivel.

123 Grimlachte: lachte nijdig.

124 Verbranselde: vervloekte. 126 Scholieren: ruwer, bitser.

131 Huis: het huis van Alva nl.

132 Leiden op hem toe: hielden hem in het oog.

133 Taken: gappen.

134 Kwispels: kwasten. — Stevels: laarzen. 137 Wage-boeven: voerlui.

Sluiten