Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik weet 't an mijn selfs, gij en ik wij gingen t' school,

tot Heer 'Floris, Lycentiaat van Amersvoort. Maar wat een malle kai

was Meester Kakkedoris, Die vent was gek en hij mienden goet schik, dat hij

wijs was,

425 Hij kwam in Dirk van Diemens tuin, hem docht dat hij

in 't Paradijs was. Wat heb je hem al diets gemaakt; gij praten hem toe, Dat gij een konijn had als een olifant, en 'dat het

jongden als een koe, En duisent sulke stikken; hoe dat gij een aal had, die

so lang was,

Dat hij in Engelant sijn hooft op stak, daar sijn staart bier an 't strang was. 430 Hoe schuddebolden die ouwe kluivers om de rab-

bauwerij,

En as se eenige schelmerij hoorden, so kwamen sij al

nauwer bij.

Vertelde Jan Selde-waar niet, hoe dat hij om een

voetjen enoot was Van de outste Harp-slager van Amsterdam, hoe hiet

hij? Jan Vlas; 'Hoe hem sijn vaar in huis sloot, en op hem begon te

grimmen;

435 Wat het hij te doen? hij gaat je daar af ter over de

schutting klimmen,

423 Lycentiaat: iemand die verlof tot het geven van onderwij» aan de academie heeft verworven. — Van Amersvoort: waarschijnlijk omdat dit berucht was door zijn kei. — Kai: gek.

426 Gij praten hem toe: gij maakte hem wijs.

427 Jongden als een koe: jongen kreeg zoo groot als een koe.

429 Strang: strand.

430 Kluivers: snoepers. — Rabbauwertj: guitenstreek.

431 Kwamen zij al nauwer hij: schoven zij dicht bijeen.

432 Voetjen: dansje.

434 Grimmen: mopperen.

435 After: achter.

Sluiten