Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Soo ik docht, soo dee ik, ik was de weelde moe. Ik seide mijn huur op: mijn vrouw' die sag bril toe. 790 Sij vraagde mijn de schort en of ik meer wou winnen? En of ik was verlooft? oft wat ik sou beginnen? Ten lesten 't kwam er uit, dat ik op mijn selven wouw. En siet des s'Meys daar an soo toog ik van mijn

vrouw

Ik ging mit me speulnoot buiten in de Kathuisers, 795 Daar kwam een knecht bij ons, een van de jonge

Tuisers,

. Een seun van de Zeedijck, ouwe Diriok biet sijn vaar, Die praten mij soo schoon, wij maakten 't hylik klaar. Wij trokken na 'Haarlem, daar gingen wij logeeren In een igoe berreberg, bij andere lui met eeren. 800 's Nachts, als ik lag en sliep, soo stal hij al mijn geit, Mijn sulver en mijn tas, die soo wel was gesteft, En ging stilswijgend' deur, en maakten mijn niet

wakker;

En ritste an de wijnt, over velt, over akker. Des morgens, Annetje, als ik uit mijn droom ontsprong,

805 Ik taste na mijn lief, die 'k nergens niet en vong. Ik riep hem bij sijn naam, ik sag na tuich en tas.

789 Sag bril toe: keek er van op.

790 Vraagde mijn de schort: vroeg, waar het aan schorte. — Winnen: verdienen.

793 Toog: trok. — 794 Speulnoot: vriendin. — Buiten in de Karthuysers: in de herberg die daar in 't voormalig Karthuyser klooster was.

795 Knecht: jonge kerel. — Vuiser: smulpaap, stevige, gezonde kerel. 797 Wij maakten 't hylik klaar: spraken af te trouwen.

799 Lui met eeren: lui van gegoeden stand.

800 Lag en sliep: lag te slapen.

801 Soo wel was gestelt: goed was voorzien.

802 Ging stilzwijgend deur: verdween stiekem.

803 Ritste an de wint: smeerde 'm. 604 Ontsprong: ontwaakte.

805 Vong: vond.

806 Tuig: al wat aan den riem om het middel hing, zilveren sleutelreeks, etc. «

Sluiten