Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ierolimo:

Nu eet doch, arme bloet, 905 Misschien wanneer ons Heer ons arremoet versoet Robbert, mijn goeden knecht, t'sidhtent ik hier kwam

woonen,

Was ik nooit wel te pas, noch heb 't niet wesen

koonen.

Dit huis moet zijn gebouwi op een kwal groot dunkt

main:

Ook zainder huisen, die seer ongelukkig zain, 910 Mits sij den huurling gemeinelaik geen goet

Aanbrengen, moör wel ramp, gelijk als mij dit doet; Daarom beloof ik ou, soo haast de moónt gaat strijken, Mijn ongeluk en 't huis gelijk'lijk te ontwijken.

Robbeknol, die gluurt ter zijen uit. Hoe loert hij op mijn pens, hoe kijkt hij na mijn brootf 915 Ay siet, hij trekt niet eens een oogje van mijn schoot Die nu mijn tafel is; siet zijn gesicht eens vrijen, 'k 'Heb met den armen bloet warachtig medelijen, Want ik heb menigmaal geleden dat gewelt, En lij ook dagelijks het geen dat hem nu kwelt 920 Wat sal ik doen? hem noón? hij sal 't mij geen dank

weten

Want siet, hij seit dat hij te middag heeft gegeten, Nochtans meen ik dat hij te meer niet heeft gebikt Ik wou wel, dat sijn smart een weinich waar verkwikt, Gelijk het gust'ren was, doen hij mij huilep smullen,

905 Misschien wanneer: het is mogelijk dat eens. Dit weer ter zijde.

906 T'sichlent: sedert.

907 Wel ie pas: gelukkig. — Koonen: kannen. 910 Mits: daar. — Huurling: huurder.

912 Gaat strijken: ten einde loopt.

915 Trekt : slaat. .

916 Hoe staat de begeerte naar een stuk op zijn gezicht te lezen 918 Dar gevoelt: die ellende.

920 No6n: uitnoodigen (ook wat te nemen).

922 Te meer: vandaag.

924 Gust'ren: gisteren. — Hullep: hielp.

Sluiten