Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE DEEL

Robbeknol:

Men sert: die wel drinkt, slaapt wel, en die wel slaapt,

en doet geen sonden, En die geen sonden doet, die wort sluitelijk salig gevonden,

Maar ik heb wel geslapen en eens genoeg gebankt, Dan ik heb mijn geluksaligheit noit noch seer bedankt.

960 Wat loopt een mensch op aarde versoheiden avon-

tuerenl

Wat moet men al kommerkans en ongemaks besuren! Weet dit niemant niet? Die vraagt 't, die vraagt 't

mijn,

Die alleen weet en proeft, wat wij onderworpen zijn, Door de versochtheit van de ramp, bij mij geleden, 965 Van honger en van dorst en meer ellendigheden, Van swerven gints en weer bij vijant en bij vrient. Wat sonderlinger volk so heb ik ook gedient! Wat meester dat ik kreeg, hij was suinig en sparig, En d'een was altijd meer als d'ander vrek en karig;

970 En nu heb ik er een die geeft m'n spijs noch broot, Maar die ik self de kost te geven ben van noot.

957 Sluitelijk : ten slotte.

958 Gebankt: gegeten en gedronken.

950 Maar voor gelukzaligheid heb ik nog weinig hoeven te bedanken. Hij denkt aan aardsche gelukzaligheid.

961 Kommerkans: ellende.

962 Die vrage het.

964 Versochtheit: ervaring. 967 Sonderlinger: zonderling.

971 Ben van noot: moet.

Sluiten