Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Is mijn man «en veugel? jij selt /jou mont beteugelen, Komt er uit, heb ije 't hart, jij schrobber, ik sel je

lieren veugelen;

1260 Jij selt niemant veugel bieten, Jan Hanggat, versta

je dat,

Of blaast hem ierst een pont veeren: de rest in 't

sout-vat.

Ik seg 't nog eens op mijn burgerschop, jij selt niemant

veugel heten,

Of jij sult ierst, walbarken aansicht, van sijn eieren

eten,

So siet. Ik sel jou dat veugelen nog komen uit je gat, 1265 Is er, bij gans wongden, anders maar recht in de stad. Komt een reis voor den dag, hontsklink! komt eens

uit de koken,

Al het mijn man in sijn jeugt en reis een huis oppe-

broken,

Wat schaat dat? dat schaat niet, al even goet vriemt Al is hij en reis egiesselt en ebrantmerkt, hij had 't

verdient.

1270 Ik weet 't also wel als jij, dat ik jong voor hoer liep, Al was ik jong, ik was so wijs,dat ik niet om mijn

moer riep.

Ik was om mijn veertien jaar al mans genoeg voor

en man,

1258 Veugel: een scheldwoord dat zeer waarschijnlijk doelt op intiemen omgang met hel vrouwelijk geslacht.

1259 Schrobber: schob bert. — Veugelen: van veugel praten.

1261 Trijn acht zich te fatsoenlijk om den regel te eindigen met

aan zijn gat.

1262 Op mijn burgerschap: mij beroepende op mijn burgerschap.

1263 Walbarken: als van eenwalberk. Duarimpelig? stijf? brutaal? Eieren: de eieren nl. die de veugel (haar man) gelegd heeft.

1264 Komen: kloppen.

1265 Als er maar recht te krijgen is in de stad.

1266 Hontsklink: hondsvot.

1267 Een huls oppebróhen: inbraak gepleegd heeft. — Een rel*: eens. 1269 Egiesselt : gegeeseld.

1272 Om mijn veertien: omstreeks mijn 14e jaar.

Sluiten