Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik ben mee Rooms-Katelijk, en ik ga wel in de

preeken,

Maar wat is 't? bier eseit, ik mag er mijn hooft niet

mee breken,

Of daar een Paap staat en praat in 't Latijn, en haalt

't wel so vart, Ik 'laat mijn nog staan, maar dat hij er selver in

verwart.

1360 Men hoort ons slecht en recht en eenvoudig te leeren. Wat weet ik of mijns gelijk van 't aalwarig disputeren?

Els:

Nou mijn ridder van 't sint loris, nou mijn vrijer, as 'n

man,

Leest nou een reis van dat heiligje, moitjes van

vooren'an.

Robbeknol leest. Iut:

Maar woon je daar, men vaar? Heer, je keunt, jij hebt

wel annenomen; 1365 Mijn koning, jij moet wat dickwils en wat mier ankomen;

Gij .komt al te luttel uit, 't is niemendal, hoor je dat

wel?

Siet dat geef ik je nou, neemt 't vrij; wat, dat 's ien

T.. , . . geseL ■Ji| bat ien man als spek, en spek is so goet as geit:

altijt, as jij komt lesen, So sel ons eten wel voor jou, als voor ons selven

wesen.

1358 Staat en prooi: staat te praten. — Vart: rer. 1359. — Ik laat

mi)" "og *taan: ik laat me zelf er nog buiten. 1361 Aalwarig: verdrietig.

!!£5 Ridi" °<m SM ^mU' Trijer- ~ A' man: toe ma«1364 Annenomen: geleerd.

!I« ^ laat. te wemi* -?»en. de centen komen er niet op aan. 130/ Gesel: kerel.

Sluiten