Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIERDE DEEL

B y a t e r i s, een uitdraagster.

Mes moet wat doen om de kost, so lang as men leeft; Ik sie wel, heb ik niet, dat men ook niemant en geeft. 1480 Doe ik jong en weeldig was, had ik vrijers met

hoopen,

Doe docht ik niet iens om spelden en garen te koopen, Ik had de lieve tijd van al mijn vrienden raat: Daarom soo gaat 't mijn, gelijk het mijn nou gaat, Mijn goetje is verslempt, mijn kliertjes zijn versleten, Ik waas al lang vergaan, had ik geen raat geweten. Wat heb ik in mijn jeugt ook menig man gehad Ja wel so veel, so veul als iemand in de stad. Ik mien, mochten se met malkander de hand aan-

raaken,

Sij souwen wel een hier deur, jij moet er deur tot Haarlem toe maaken, 1490 Wat dunk je, heb ik dan mijn poosje ook niet wel te

roer es taan:

En nog so geef ik het Trijn dubbeld in of heur moer

te raan.

1480 Weeldig: levenslustig.

1482 Ik stond voortdurend ter beschikking van mijn vrienden.

1488 Mochten; konden.

1489 Hierdeur, jtf moet er deur. Een kinderspel wordt bedoeld waarbij de kinderen elkaar de hand geven en een lange rij vormen. Zoo Ā«ouden al kaar vrijers een rij van Amsterdam tot Haarlem vormen.

1490 Wel te roer ettaan: beb mijn sporen verdiend.

1491 Trqn en haar moeder kunnen er zich geen voorstelling van maken.

Sluiten