Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat seide Pieter de Wasscher saliger in zijn jonge

dagen:

Byateres, Byateres, jij keunt, gij weet van de ouwe

slagen.

Ik heb wel wat wils ehad, maar 'tis nou alle daan, 1495 Ik heb wel edocht: sal dit van zijn leven wel vergaan? Toch nou ik oud ben, achten se mijn als bakelaar, Maar 't schaat niet: een bedurven koopman dat is een

goet makelaar, En een out wagenaar hoort garen 't klappen van de

swiep,

©oh 't mag m'n so wel heugen dat ik bij onse Govert

sliep,

1500 'Nog, wat was dat voor een soet man, wat het hij mijn

wel egeven,

Wat heb ik ook wel malligheit met die mensch bedreven;

Maar dat is nou over; doch nou ik niet meer en kan, Nou breng ik er een deel kwikse jonge dieren an: Ik weet boe een vrouw te moe is, ja, ik, veurseker. 1505 Kreeg ik nou lestent niet een moie rok met een beker Van Jannetje met ien oor hier, de huis-vrouw van Flip, Om dat ik er so abel bij iGoyer hulp in 't schip? En of se schoon met hem op een koi in de combuis was, Sij sei al evewel, dat 't 'daar moier dan in beur eigen

huis was. .

1493 Slagen: streken.

1495 Vergaan: ophouden.

1496 Bakelaar: laurierbes (die bitter is).

1497 Bedorven: bankroet.

1498 Wagenaar: voerman. 1500 Noch: wei.

1503 Kwikse jonge dieren: hupsche jonge meiden. — Anbrengen: in

het groote gild nl. i 1505 Lestent: laatst.

1507 Abel: handig.

1508 Koi: slaapplaats op het schip, — Combuis: keuken aan boord.

Sluiten