Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O 't is en biet goet, och se houwen soo veul van de

nieu wighei tj es I Ik heb daar nou een meisje, o bloet! sij. ken heur

ambacht freitjes! Is er iemant belust op wat versnapelings onder den

hoop,

Die komt en reis an, sij gerijft elk na sijn geit, en hiel

goet koop.

1530 Ik heb hier wat goets, daar souw ik garen wat gelts

op halen.

Dit vrouwt jen is so benaut, sij moet er huur betalen, Maar had se gedaan gelijk als ik haar riet, So ging nou haar goetje na de Lommert niet. 'Neen, kijnt, men moet somtijts al wat doen om beters

wille,

1535 Al isien 't de mans, och Heer, zij zijn folijd toe en

swijgen stille.

Dat ik je seggen sou, wat de lui nou uit noot wel doen, Ik sou 't je niet kennen uitstameren in een hiele ach-

ternoen.

Nu moet ik een ring lossen, die hier is bekommert, En dan wil ik dit goet gaan brengen in de Lommert Robbeknol: 1540 Is dat verschrikken? ja 't, dan wij zijn dat al deur, Maar ik krijg in een maant niet weer mijn eigen kleur, En mijn Heer lacht er om, dat geeft men vrij wat

wonder,

En mijn docht, dat de lucht vol vuir was en vol

donder.

Daar heb ik nou een reis uit eweest an de hal,

1526 Hiel: ritsig.

1527 Freitjes: uitstekend.

1528 Versnapeltngx versnapering.

1530 Goet: kleeren etc

1531 Dit vrouwtjen: het vrouwtje nl. waarvoor ze gaat beleenen.

1537 Uitstameren: vertellen. — Achternoen: achtermiddag.

1538 Bekommert: beleend.

1540 Dan: maar. — Dat al deur: de schrik voor het lijk nl. (1444).

Sluiten