Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1655 Dat en was niet geraan, se! se, vaar, we mengen dat

wel missen,

Wij sellen de kost wel krijgen, sei se, we hebben boter

en broot,

En mit so duwde se m'n een pan met iHoorense

wort'len op m'n schoot, Mit een folaeu moddetje in mijn vuist, mit twie

oubakke korsjes, En voort spelde sij een slabbetje fraitjes veur bei heur

borstjes.

1660 Och, die reinigheit die weet wat, och, s'is so puntig

en klaar,

Toch sij het dat van niemant vreemts, maar van heur

sal'ge vaar,

Die pleeg altijd op voordel mosselschelpen op te

rapen,

Daar hij t'avont of morgen hum wat schoontjes mee

sou of schrapen, i I Slordigheit is gien heiligheit, dat sei Lijs je Kladdebels, 1665 En s'is zelfs sulk 'n klonterde-bokje, dat se aieren

klopt in heur pels, En of er neus druipt, en of se wat kwijlbekt deur 't

gebabbel,

Se doet wel wat mier, als men 't seggen mocht: sij

werpt snottebellen te grabbel; Maar daar hou ik me gek mee, ik bewaar se in een test, Wangt wie weet 't, of se nog geen silver en sellen worden op het lest,

1655 Meugen: kunnen.

1656 Wij zullen wel genoeg te eten 'krijgen. 1658 Moddetje: doekje.

1660 Klaar: zindelijk.

1662 Op voordel: bij voorbaat.

1663 Schrapen: men begrijpt, waar en bij welke gelegenheid.

1665 Kloutei de-bokje: smeerpoes. — dat ze aieren klopt in heur pel*:

dat ze 't in de broek doet. 1668 Test: vuurbakje in een stoof.

Sluiten