Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1685 Ik liet 't mijn niet ontsuuren, d'Apteker gaf m'n een

penning voor 't loot. Tv/ie kleintjes maken ien groot, o ik weet 't soo te

streumelen,

Ik héb hier een sak, daar kan ik mijn out-ijser in

dreumelen.

Wat iet wat is, dat hou ik te raat, as 't maar wat

doogt;

Ik heb daar straks een erfje met een emmer as ehoogt, 1690 En ik brocht er gistren op wel drie schooten vol

oesterschelpen En mijn wijf een stulp met goet, kijkt, alle baten

helpen.

Als de olieslagers en vleishouwers 't savonts haar

vuilis hadden uit gekruit, So was ik daar smorgens voor douw en dag gauw bij

met mijn oude schuit. De lui verstaan 't er niet, sij mienen, datte wij benne

gek,

1695 Om dat ik mijn lant vet mest met koemis, en mijn boomen met hennedrek, En mijn varkens met borstel en mensche 'draf, Ik laat se wat kwaken, as ik maar wel den orber schaf. En nou ik versta, 'dat de vullers ouwe pis koopen, Nou wil ik me water soo lichtveerdig niet mier laten

loopen,

1665 lk zag er niet tegen op.

1686 Streumelen: bijeen krijgen.

1687 Dreumelen: wegstoppen.

1688 Houw ik te raat: bewaar ik zuinig. — Erfje.: het stukje grond bü zijn huis.

1690 Schoot: schort vol.

1691 Stulp met goet: deksel met asch en sintels. 1694 Verstaan 't er niet: hebben er geen begrip van.

1696 Borstel: afval uit brandewijn,

1697 Kwaken: spektakel maken. — Den orber schaf: in mijn voordeel werk.

1698 Versta: hoor. — Vutters: lakenvollers.

Sluiten