Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Geeraart:

Ik sel gien oomblik uitblijven. Els:

1940 Ai lieve wijfjes, om Gods wil, laat de schamele jonge

gaan,

Wat wü"je: 't hem wijten, dat sijn miester het edaan? Byateris:

Gaar laten? gaan laten? wat haast, ik wort schier uit

mijn sinnen.

Iut:

Al goelikjes, vroutje, tsus, sus komt so lang hier

binnen.

Not aris, Klerk, met twee streeboön. Notaris:

Heb je 't protocol al vaardig, vergeet je ook iet, Jan? I a n:

1945 Ik heb 't altemaal gereet onder mijn arm: treet vrij

wat an.

Waar selle wij gaan, miester, totte waart in de Drie

Dweylen?

Notaris:

Wij sellen met de pachters en peiler van de wijnen

gaan peilen; Volg ijij me freitjes en Schikkelijk bij de straat, Want het staat wel, dat een goet Notaris parmantig

gaat.

1939 Strik straks: spoedig. — Oomblik: oogen blik

1940 Schamele: arme.

1942 Wat haast: dat kun je net denken.

1943 Al goelikjes: kalm aan.

1944 Vaardig: klaar.

1945 Treel orij wat aan: stap maar gerust door.

1946 Selle: zullen.

1947 Petten: de kwaliteit van de wijn onderzoeken.

1948 Preitjes en schikkelijk: netjes en bekoorlijk.

1949 Parmantig: zwierig en deftig.

De Spaansche Brabander 12

Sluiten