Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Otje:

Waar heb jij, kleine schelm, mijn schilderij gelaten? Joost:

Waar zijn mijn schalen, en mijn koppen, en zout-vaten, En al mijn silver tuig, segt, bengel!

Robbeknol:

Dat weet God.

I a sper:

2115 Waar is mijn goet?

Robbekno 1: Weet ik 't?

Otje:

Ja wel, ik wort schier sot: De jongen spot met.ons, en is nog onbekommert.

Balich: Waar is mijn Tin? segt op!

Robbeknol:

Wat weet ik? in de lommert,

Of tof de diefjes-vaars.

Iasper: Mijn Heer de Officier, Komt toch, so 't u gelieft, eens met u dienaars hier, 2120 En vangt dees jonge guit. Want hij weet van de

slagen;

Voor seker hebben zij 't te nacht al weg gedragen. Schout:

Vat hem, Meindert, also, stukke-diefs, gaat met mijn, Gij moet voor dese reis, dats mijn gevangen zijn.

Robbeknol: Cch Heere Godje, och!

Schout:

Ik sel jou gevangen leggen.

2116 Onbekommert: op vrije voeten. 2118 Diefjes-Vaars: helen.

2120 Slagen: streken.

2122 Slukked,efs: ¬ęTalgebrek.

2123 Dats: namelijk.

Sluiten