Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schout:

Wel an, ik geef je vrij. Robbeknol: 2160 Ik bedank je, Heerschip, seer.

Schout: Gaat straks voort uit mijn oogen. Balich:

Krijg ik de Bankrotder, ik sel 't hem so uitdrogen! I a s p e r:

Gans lijden, dat ik mocht, ik sneet hem of de strot! Ik ben bedurven heel, dat weet de goede God, Joost:

Wie hoorden sulk 'n stik van al sijn leven spreken! 2165 Dat ik den schellem had, ik sou hem wis doorsteken. De knecht van 't Gout-smits gilt, die wil ik

stuuren om,

't Is haggelïjk, dat ik nog an het mijne kom. di£

(binnen.)

Otje:

Wel, God verset u scha: nu wil ik ook gaan wan deren, En vervolgen de fiel van deen plaats op den anderen, 2170 En schrijven hem vast na in deen en d'ander stad, Soo raak ik an het mijns, of so wort hij gevat. Balich:

O bloet! ik ben soo kwaat, al laat ik het niet blijken, Maar is 't geen schelmen-werk, de armen uit te

strijken?

Iasper:

Hier is niet toe te doen, als voor te bidden, Joost.

2160 Heerschip: heerschap. — Straks: oogenblikkelijk.

2161 Uitdrogen: inpeperen. 2163 Bedurven: arm gemaakt.

2166 Sturen om: rondsturen om navraag te doen.

2167 Haggelïjk: zeer twijfelachtig.

2168 Versei: vergoede. — Wonderen: er op uittrekken. 2170 Schrijven na: per brief navraag doen.

2173 Uit te strijken: te bedriegen.

Sluiten