Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2.

Eens graven kind met zoeten lach Dit roosken aan zijn knopgat zag;

Haar oog dat hing er aan.

Ran plan plan. Geen bloemken schooner op der aard'; De trommelaar was 't bloemken waard.

Ran plan plan.

Zij kreeg er van een maagdenbloos: „Wel vriend, geef mij die schoone roos,

Gelijk een edelman.

Ran plan plan. Die schoone roos en geef ik niet, Tenzij ge uw trouwe hand mij biedt."

Ran plan plan.

4.

„Mijn trouwe hand en geef ik niet, Tenzij ge een regiment gebiedt.

Kom weer dan, vraag mij dan."

Ran plan plan. Een jaar verliep; een morgen vroeg Was 't haar of weer een trommel sloeg.

Ran plan plan.

5.

Een officier met rooden mond Kwam nederbuigend tot den grond;

Hij leek een edelman.

Ran plan plan. „Ziedaar het roosje dat ik schenk, Opdat uw hertjen aan mij denk."

Ran plan plan.

En blijder dan de grootste vorst, Stak hij het op haar blanke borst;

Haar hertje klopte er van.

Ran plan plan. Er was nooit liefelijker bruid; De trommel sloeg bij 't feestgeluid,

Ran plan plan.

Sluiten