Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Niets, ooit in zijn leven, had hij gezien dat zoo mooi was als het kleine kerkje. Het kerkje was geheel omdaan met eene fluweelen donkerheid, waarin de bevende glanzing van fraaigeregelde kaarsenreken speelde en aarzelde en langs gouden diepten zwevend verging. Maar stilaan zag Johan in de zwaarpurperen schemering de dikke pilaars opklaren en ginder hooge wattige gewelven dragen. De muren begonnen zacht te glimmen. De outer werd zichtbaar en heerlijk. En alles, al wat hij zag, was met wondere polychromieën versierd. Het werd hem, hoe meer hij toekeek, zoo rijk en koninklijk dat zijn hart er week en gulzig bij aan het dansen ging.

Dan, al rondom hem, herkende hij de ronde bruine ruggen van de capucienen. De orgel zette aan. De kapel kwam vol met vleugeltjes van vogels.

— «O God, » bad Johan Doxa gevoelig, « ik zou willen een pater zijn! »

Sluiten