Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

o 't ruischen van het ranke riet

Hapt* Qodavbv dovanfjct

Hom. IL XVIII, 576.

O! 't ruischen van het ranke riet! o wist ik toch uw droevig lied! wanneer de wind voorbij u voert en buigend uwe halmen roert, gij buigt, ootmoedig nijgend, neêr, staat op en buigt ootmoedig weêr, en zingt al buigend 't droevig lied, dat ik beminne, o ranke riet!

O! 't ruischen van het ranke riet! hoe dikwijls dikwijls zat ik niet nabij den stillen waterboord alleen en van geen mensch gestoord, en lonkte 't rimplend water na, en sloeg uw zwakke stafjes ga, en luisterde op het lieve lied, dat gij mij zongt, o rui schend riet!

O! 't ruischen van het ranke riet! hoe menig mensch aanschouwt u niet en hoort uw' zingend' harmonij, doch luistert niet en gaat voorbij!

Sluiten