Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't zijn spanders overal, 't zijn spillen, die 'k aanschouw, een loof, dat kroont alom een steenoud boomgebouw.

De Winter heeft erop zijn boos gebijt vermoord; het Water heeft het merg en 't herte eruit geboord; de Bliksem spookte erom, en kraakte, met geweld, er halve boomen uit, en takken ongeteld; de Tijd onteerde laf en langzaam al zijn lijf, en nog en roert hij niet: hij staat daar, rotsestijf.

En ieder jaar dat loopt hergroent hij nog, en Iaat, wanneer de lente lacht, zijn spaarzaam loofgewaad omschaduwen het stuk hooge uitgepuilden grond, daar, als hij jonger was, zijn' geile wortel stond. Eilaas, niet langer meer en kan hij, moegeleefd, de wonden duiken 1), die men hem geslagen heeft!

Hij staat daar, oud en strem, in 't wilde windgegons, gelijk te Roomen, van groenuitgeslegen brons,

*) Verbergen.

Sluiten